Tu
In deze dialoog betekent "Tu" «jij» en spreekt de spreker één persoon rechtstreeks aan. Je gebruikt "Tu" voor een vertrouwde, enkelvoudige aanspreking, zoals in "Tu peux m'aider".
peux
In "Tu peux m'aider" drukt "peux" uit dat iemand iets kan of mogelijk kan doen. "peux" staat hier bij "Tu"; een bruikbaar patroon is "Tu peux + infinitief ?".
m'aider
"m'aider" betekent hier «mij helpen» in de vraag "Tu peux m'aider". "m'" is de verkorte vorm van "me" voor "aider"; het patroon "aider quelqu'un à + infinitief" is bruikbaar wanneer je zegt wie je helpt en waarmee.
à
In "m'aider à vérifier" verbindt "à" het helpen met de handeling "vérifier": iemand helpen om iets te controleren. Een bruikbaar patroon is "aider quelqu'un à + infinitief".
vérifier
"vérifier" betekent hier «controleren» of nagaan of alles in orde is. In "vérifier mon sac" staat het vóór het voorwerp dat gecontroleerd wordt; je kunt dus zeggen wat je controleert met "vérifier + voorwerp".
mon
In "mon sac" betekent "mon" «mijn» en geeft het aan dat de tas bij de spreker hoort. "mon" staat vóór het zelfstandig naamwoord, zoals in "mon sac".
sac
"sac" betekent in "mon sac" «tas», het voorwerp dat de twee personen samen controleren. Het woord kan in deze dialoog direct na een bezittelijk woord staan, zoals in "mon sac".
Je
In "Je peux vérifier" betekent "Je" «ik» en noemt de spreker zichzelf als degene die kan controleren. Je gebruikt "Je" als onderwerp wanneer je over je eigen handeling spreekt.
le
In "le sac" is "le" het bepaalde lidwoord bij «de tas». Het staat vóór "sac" wanneer het om de tas gaat die in deze situatie al bekend is; een bruikbaar patroon is "le + zelfstandig naamwoord".
avec
In "avec toi" betekent "avec" «met» en geeft het aan met wie de handeling samen gebeurt. Je gebruikt "avec" vóór een persoon of voorwerp, zoals in "avec toi".
toi
In "avec toi" betekent "toi" «jou» en verwijst het naar de persoon met wie de spreker samen controleert. "toi" is de vorm die hier na het voorzetsel "avec" staat; "avec toi" betekent «met jou».
vois
In "Tu vois quelque chose" betekent "vois" «ziet» of «zie je». "vois" is de vorm die hier bij "Tu" staat; een bruikbaar patroon is "Tu vois + voorwerp ?" wanneer je vraagt of iemand iets ziet.
quelque chose
In "Tu vois quelque chose qui manque ?" betekent "quelque chose" «iets» of «iets bepaalds dat je niet nader noemt». "quelque" geeft iets onbepaalds aan en "chose" betekent «ding»; samen vormen ze de uitdrukking "quelque chose". De uitdrukking kan gevolgd worden door "qui" en een beschrijving, zoals in "quelque chose qui manque".
qui
In "quelque chose qui manque" verwijst "qui" terug naar "quelque chose" en leidt het de beschrijving in van wat ontbreekt. Het verbindt zo het genoemde «iets» met de informatie "manque".
manque
In "qui manque" betekent "manque" dat iets ontbreekt. Het verwijst hier naar iets dat niet in de tas aanwezig is; een bruikbaar patroon is "quelque chose qui manque".
Ton
In "Ton portefeuille" betekent "Ton" «jouw» en geeft het aan dat de portefeuille van de aangesprokene is. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord, zoals in "Ton portefeuille".
portefeuille
"portefeuille" betekent in "Ton portefeuille" «portemonnee». Het wordt in de zin samen met "ton" genoemd als één van de voorwerpen die aanwezig zijn.
et
In "Ton portefeuille et ton téléphone" betekent "et" «en» en verbindt het twee voorwerpen. Een bruikbaar patroon is "X et Y" om twee personen of dingen samen te noemen.
téléphone
"téléphone" betekent in "ton téléphone" «telefoon». Het wordt met "et" naast "portefeuille" geplaatst als het tweede voorwerp dat in de tas aanwezig is.
sont
In "Ton portefeuille et ton téléphone sont tous les deux ici" verbindt "sont" de twee genoemde voorwerpen met hun locatie: ze bevinden zich hier. "sont" staat hier bij het samengestelde onderwerp "Ton portefeuille et ton téléphone"; een bruikbaar patroon is "X et Y sont ici".
tous
In "tous les deux" benadrukt "tous" dat beide genoemde voorwerpen samen bedoeld zijn. De uitdrukking "tous les deux" gebruik je om precies twee personen of dingen als paar aan te duiden.
les
In "tous les deux" staat "les" vóór het getal "deux" binnen de uitdrukking die «allebei» betekent. Samen met "tous" en "deux" verwijst het naar de twee eerder genoemde voorwerpen.
deux
In "tous les deux" betekent "deux" «twee». Samen met "tous les" maakt het duidelijk dat zowel de portefeuille als de telefoon aanwezig is.
ici
In "sont tous les deux ici" betekent "ici" «hier» en geeft het de plaats van de portefeuille en de telefoon aan. Je gebruikt "ici" om naar de huidige of bedoelde plek te verwijzen.
Où
In "Où est mon petit carnet ?" betekent "Où" «waar» en vraagt het naar een plaats. Een bruikbaar patroon is "Où est + zelfstandig naamwoord ?" wanneer je naar de locatie van één ding vraagt.
est
In "Où est mon petit carnet ?" verbindt "est" het carnet met de plaats waar het zich bevindt. Het is de vorm die hier bij het enkelvoudige onderwerp "mon petit carnet" staat; hetzelfde soort locatievraag begint met "Où est".
petit
In "mon petit carnet" betekent "petit" «klein» en beschrijft het de grootte van het carnet. Het staat hier vóór "carnet" en vormt daarmee de woordgroep "petit carnet".
carnet
"carnet" betekent in "mon petit carnet" «notitieboekje» of «klein notitieboek». Het is het voorwerp waarnaar gevraagd wordt in "Où est mon petit carnet ?".
Il
In "Il est sous ta veste" verwijst "Il" naar het eerder genoemde "carnet" en betekent het hier «het». Je gebruikt dit onderwerp om daarna de plaats van het carnet te beschrijven, zoals in "Il est sous ta veste".
sous
In "sous ta veste" betekent "sous" «onder» en beschrijft het de plaats van het carnet. Je gebruikt "sous" vóór het voorwerp waaronder iets ligt of zich bevindt.
ta
In "ta veste" betekent "ta" «jouw» en geeft het aan dat de jas van de aangesprokene is. Het staat vóór "veste", zoals in "ta veste".
veste
"veste" betekent in "ta veste" «jas». In de dialoog vormt het met "sous" de plaatsaanduiding "sous ta veste": onder jouw jas.
Alors
In "Alors, j'ai tout" betekent "Alors" hier «dan» of «dus» en leidt het de conclusie in nadat de ontbrekende spullen zijn gevonden. Je kunt "Alors" gebruiken om een gevolgtrekking of volgende stap aan te kondigen.
j'ai
In "j'ai tout" betekent "j'ai" «ik heb». Het is de vorm voor de uitspraak van de spreker over wat hij of zij bezit of bij zich heeft; een bruikbaar patroon is "j'ai + voorwerp".
tout
In "j'ai tout" betekent "tout" «alles» en verwijst het naar alle spullen die gecontroleerd moesten worden. Samen met "j'ai" vormt het de uitdrukking "j'ai tout": ik heb alles.
fermer
In "Tu peux fermer le sac" betekent "fermer" «sluiten» of dichtdoen, hier toegepast op de tas. Het staat na "peux" als de handeling die de aangesprokene kan uitvoeren; een bruikbaar patroon is "Tu peux + infinitief".
maintenant
In "fermer le sac maintenant" betekent "maintenant" «nu» en geeft het aan dat de tas op dit moment gesloten kan worden. Het staat hier aan het einde van de zin en verwijst naar de huidige situatie.