Een eenvoudige activiteit kiezen | Leer frans in het Nederlands

French lesson set in a contemporary Paris everyday setting: In a shared space, two adults choose between walking outside and reading inside in a quiet room..

NL → FR / Niveau: A1

Over deze les

Met Een eenvoudige activiteit kiezen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het frans.

Dialoog

A

Quelle activité allons-nous faire ?

Kel aktivité alõ noe feer? Welke activiteit zullen we doen?
B

On pourrait marcher dehors.

Õ poevóar marsjee du-oor. We zouden buiten kunnen wandelen.
A

Il peut faire froid dehors.

Iel puh feer frwaa du-oor. Het kan daar koud zijn.
B

Alors, on peut lire à l'intérieur.

A-lohr, õ puh leer aa lan-té-rjuh. Dan kunnen we binnen lezen.
A

Lire, c'est mieux aujourd'hui.

Leer, se mjeu oo-zjoer-dwie. Lezen klinkt vandaag beter.
B

Choisissons une pièce calme.

Swaa-zie-sõ un pjes kalm. Laten we een rustige kamer kiezen.
A

Je vais apporter mon livre.

Zje vè a-por-té mõ lievr. Ik neem mijn boek mee.
B

Je vais trouver une place pour nous.

Zje vè troe-vé un plass poer noe. Ik zoek een plek voor ons.

Woord voor woord

Quelle In “Quelle activité” betekent “Quelle” welke en bepaalt het welk woord wordt gekozen. Het is de vrouwelijke vorm die hier bij “activité” past. Gebruik “Quelle” vóór een vrouwelijk zelfstandig naamwoord om ernaar te vragen.
activité In “Quelle activité” betekent “activité” activiteit. Het woord benoemt hier wat de twee personen kunnen gaan doen. Het komt in de vraag na “Quelle”.
allons In “allons-nous faire” geeft “allons” het idee van gaan of van plan zijn weer. Het is hier de vorm van “aller” bij “nous” en staat vóór “faire” in de vraag. De herbruikbare structuur is “allons-nous” gevolgd door een infinitief.
nous In “allons-nous faire” betekent “nous” we en is het onderwerp van de vraag. Door de omgekeerde volgorde staat het na “allons”. Gebruik “nous” als onderwerp wanneer de spreker zichzelf samen met anderen bedoelt.
faire In “allons-nous faire” betekent “faire” doen. Het is de infinitief die volgt op “allons” en verwijst naar de activiteit die men gaat doen. In deze vraag vormt “faire” samen met “Quelle activité” de vraag naar de activiteit.
On In “On pourrait marcher dehors” betekent “On” we en is het onderwerp van het voorstel. In deze dialoog verwijst het naar de twee gesprekspartners, niet naar een specifieke persoon. Gebruik “on” vaak als onderwerp wanneer je in een gesprek “we” bedoelt.
pourrait In “On pourrait marcher dehors” betekent “pourrait” zou kunnen en maakt het voorstel voorzichtig. Het is een vorm van “pouvoir” vóór de infinitief “marcher”. Gebruik de structuur “On pourrait” gevolgd door een infinitief voor een mogelijke activiteit of suggestie.
marcher In “marcher dehors” betekent “marcher” lopen of wandelen. Het staat als infinitief na “pourrait” en benoemt de voorgestelde activiteit. De combinatie “marcher dehors” verwijst hier naar buiten wandelen.
dehors In “marcher dehors” betekent “dehors” buiten en geeft het de plaats van het wandelen aan. Het is een bijwoordelijke plaatsaanduiding. Gebruik “dehors” na een werkwoord om te zeggen dat iets buiten gebeurt, zoals in “marcher dehors”.
Il In “Il peut faire froid dehors” is “Il” het grammaticale onderwerp van de weersuitdrukking. Het verwijst hier niet naar een man of een ander concreet persoon. Gebruik “Il” in de vaste weerconstructie “Il peut faire froid”.
peut In “Il peut faire froid dehors” betekent “peut” kan of is mogelijk. Het is een vorm van “pouvoir” en staat vóór de infinitief “faire”. De structuur “Il peut” gevolgd door een infinitief drukt hier een mogelijkheid uit.
froid In “faire froid” betekent “froid” koud. Samen met “faire” vormt het de weersuitdrukking voor koud weer; de betekenis komt dus uit de hele combinatie. Gebruik de vaste combinatie “faire froid” om te zeggen dat het koud is.
Alors In “Alors, on peut lire” betekent “Alors” dan en verbindt het antwoord met de eerdere mogelijkheid dat het buiten koud kan zijn. Het leidt hier een gevolgtrekking of alternatief in. Gebruik “Alors” aan het begin van een zin om op basis van de vorige situatie verder te gaan.
lire In “on peut lire” betekent “lire” lezen en is het de activiteit die binnen mogelijk is. In “Lire, c’est mieux aujourd’hui” staat dezelfde infinitief als naam van de activiteit. Gebruik “lire” na “peut” of als onderwerp wanneer lezen zelf wordt besproken.
à In “à l’intérieur” geeft “à” hier de plaats aan: in of naar binnen. Samen met “l’intérieur” vormt het de uitdrukking voor binnen zijn. Gebruik de volledige combinatie “à l’intérieur” om een activiteit binnen te situeren.
l'intérieur In “à l’intérieur” betekent “l’intérieur” de binnenkant of binnenruimte. Met “à” betekent de volledige uitdrukking hier binnen. De apostrof in “l’intérieur” staat vóór de klinker van “intérieur”.
c'est In “Lire, c’est mieux aujourd’hui” introduceert “c’est” de beoordeling dat lezen beter is. Het betekent hier het is of dat is en verwijst naar de activiteit “Lire”. Gebruik de structuur “c’est mieux” om te zeggen dat iets beter is.
mieux In “c’est mieux aujourd’hui” betekent “mieux” beter. Het beoordeelt hier de keuze om te lezen in vergelijking met de andere mogelijkheid. Gebruik “c’est mieux” wanneer je een optie als beter beoordeelt.
aujourd'hui In “mieux aujourd’hui” betekent “aujourd’hui” vandaag en geeft het aan wanneer de beoordeling geldt. Het is een tijdsaanduiding. Gebruik “aujourd’hui” om een situatie aan de huidige dag te koppelen.
Choisissons In “Choisissons une pièce calme” betekent “Choisissons” laten we kiezen. Het is een voorstel aan de gesprekspartner om samen een keuze te maken. Gebruik “Choisissons” vóór wat je samen wilt kiezen, zoals in “Choisissons une pièce calme”.
une In “une pièce” betekent “une” een en staat het vóór het vrouwelijke zelfstandig naamwoord “pièce”. Het lidwoord maakt duidelijk dat het om één niet nader bepaalde kamer gaat. Gebruik “une” vóór een vrouwelijk zelfstandig naamwoord.
pièce In “une pièce calme” betekent “pièce” kamer of ruimte. In deze dialoog gaat het om een rustige ruimte om binnen te lezen. Het woord staat na “une” en vóór het bijvoeglijk naamwoord “calme”.
calme In “une pièce calme” betekent “calme” rustig en beschrijft het de kamer. Het staat na het zelfstandig naamwoord “pièce”. Gebruik hier de combinatie “pièce calme” voor een rustige kamer.
Je In “Je vais apporter mon livre” betekent “Je” ik en is het onderwerp van de zin. De spreker kondigt hiermee aan wat die zelf gaat doen. Gebruik “Je” als onderwerp voor een handeling die je zelf uitvoert.
vais In “Je vais apporter” geeft “vais” samen met “apporter” aan dat de spreker iets gaat doen. Het is de vorm van “aller” bij “Je” en staat vóór de infinitief. Gebruik de structuur “Je vais” gevolgd door een infinitief om een voorgenomen handeling uit te drukken.
apporter In “Je vais apporter mon livre” betekent “apporter” brengen of meenemen naar de bedoelde plek. Het is de infinitief na “vais” en heeft “mon livre” als wat wordt meegenomen. Gebruik de structuur “Je vais apporter” gevolgd door een voorwerp.
mon In “mon livre” betekent “mon” mijn en geeft het aan dat het boek van de spreker is. Het staat direct vóór “livre”. Gebruik “mon” vóór het zelfstandig naamwoord wanneer je bezit door de spreker uitdrukt.
livre In “mon livre” betekent “livre” boek. Het is het voorwerp dat de spreker naar de gekozen ruimte zal brengen. Het staat na het bezittelijk woord “mon”.
trouver In “Je vais trouver une place pour nous” betekent “trouver” vinden. Het is de infinitief na “vais” en verwijst naar het zoeken en vinden van een geschikte plek. Gebruik de structuur “trouver une place” wanneer je een plek wilt vinden.
place In “trouver une place” betekent “place” plek of plaats. In deze dialoog gaat het om een plek waar de twee personen kunnen zitten of lezen. Het staat na “une” in de combinatie “une place”.
pour In “une place pour nous” betekent “pour” voor en geeft het aan voor wie de plek bedoeld is. Het staat vóór het voornaamwoord “nous”. Gebruik de structuur “pour” gevolgd door een persoon of voornaamwoord om de begunstigde aan te geven.

Grammatica

Choisissons + infinitif

Choisissons une activité.

Swaa-zie-sõ un aktivité.

Laten we een activiteit kiezen.

Choisissons is de nous-vorm van de Franse gebiedende wijs. Je gebruikt deze vorm om samen iets voor te stellen.

Frans woordenschat

à l'intérieur uitdrukking
aa lan-té-rjuh binnen

Alors, on peut lire à l'intérieur.

activité zelfstandig naamwoord
aktivité activiteit

Quelle activité allons-nous faire ?

aller werkwoord
alé gaan allons

Quelle activité allons-nous faire ?

alors bijwoord
a-lohr dan; toen Alors

Alors, on peut lire à l'intérieur.

aujourd'hui bijwoord
oo-zjoer-dwie vandaag

Lire, c'est mieux aujourd'hui.

dehors bijwoord
du-oor buiten

On pourrait marcher dehors.

faire werkwoord
feer doen; maken

Quelle activité allons-nous faire ?

froid bijvoeglijk naamwoord
frwaa koud

Il peut faire froid dehors.

lire werkwoord
leer lezen

Alors, on peut lire à l'intérieur.

marcher werkwoord
marsjee wandelen; lopen

On pourrait marcher dehors.

mieux bijwoord
mjeu beter

Lire, c'est mieux aujourd'hui.

pouvoir werkwoord
poevoar kunnen pourrait

On pourrait marcher dehors.

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Welke activiteit zullen we doen?

Antwoord tonenQuelle activité allons-nous faire ?

We zouden buiten kunnen wandelen.

Antwoord tonenOn pourrait marcher dehors.

Het kan daar koud zijn.

Antwoord tonenIl peut faire froid dehors.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

buiten

Antwoord tonendehors

kunnen

Antwoord tonenpourrait

activiteit

Antwoord tonenactivité

koud

Antwoord tonenfroid