Ma
“Ma” betekent hier “mijn” in “Ma jambe”. Het staat vóór het vrouwelijke zelfstandig naamwoord en past zich daaraan aan; gebruik het in het patroon bezittelijk woord + zelfstandig naamwoord.
jambe
“Jambe” betekent hier “been”, het lichaamsdeel waarover de spreker pijn meldt in “Ma jambe”. Het woord kan samen met een bezittelijk woord worden gebruikt, zoals in “Ma jambe”.
me
“Me” geeft in “Ma jambe me fait un peu mal” aan wie de pijn ervaart: de spreker zelf. In “me fait mal” staat het bij de persoon die pijn heeft.
fait
“Fait” betekent hier niet gewoon “maakt”, maar draagt in “fait mal” bij aan de betekenis “doet pijn”. Het is hier een vorm van “faire” in de vaste uitdrukking “faire mal”; het patroon is lichaamsdeel + “me fait mal”.
un
“Un” is hier onderdeel van de hoeveelheidsexpressie “un peu” en draagt bij aan de betekenis “een kleine hoeveelheid”. Gebruik “un peu” om een beperkte hoeveelheid of mate aan te geven.
peu
“Peu” betekent hier “weinig” en vormt samen met “un” de expressie “un peu”, “een beetje”. In deze dialoog verzacht “un peu” de hoeveelheid pijn in “me fait un peu mal”.
mal
“Mal” drukt in “fait mal” pijn uit: iets doet iemand pijn. Gebruik de uitdrukking “me fait mal” om lichamelijke pijn te melden, zoals in deze zin over het been.
Assieds-toi
“Assieds-toi” betekent hier “ga zitten” en is een directe instructie aan één persoon. De vorm bestaat uit “Assieds”, de gebiedende wijs van “s’asseoir”, en “toi”, dat naar dezelfde persoon verwijst; samen vormen ze de opdracht “Assieds-toi”.
moment
“Moment” betekent hier “moment” in “un moment”, dus een korte tijdsduur. De uitdrukking “un moment” gebruik je om aan te geven dat iets kort duurt, zoals zitten.
sur
“Sur” betekent hier “op” en geeft in “sur cette chaise” aan waar iemand moet zitten. Gebruik “sur” vóór de plaats of het voorwerp waarop iemand of iets zich bevindt.
cette
“Cette” betekent hier “deze” in “cette chaise”. Het staat vóór het vrouwelijke zelfstandig naamwoord “chaise” en wijst een specifieke stoel aan.
chaise
“Chaise” betekent hier “stoel”, het zitmeubel in “cette chaise”. In deze dialoog staat het na een aanwijzend woord; “cette chaise” verwijst naar één bepaalde stoel.
J'ai
“J’ai” is de samentrekking van “je” en “ai” en betekent hier “ik heb” in “J’ai trop marché aujourd’hui”. Samen met “marché” vormt het de voltooide verleden tijd voor iets wat vandaag al is gebeurd; een bruikbaar patroon is “J’ai” + voltooid deelwoord.
trop
“Trop” betekent hier “te veel” en geeft aan dat de hoeveelheid lopen boven het gewenste of goede niveau lag in “J’ai trop marché”. Het staat vóór de vorm van het werkwoord: “trop marché”.
marché
“Marché” betekent hier “gelopen” in “J’ai trop marché aujourd’hui”. Het is de voltooide vorm van “marcher” na “J’ai” en beschrijft de activiteit die al heeft plaatsgevonden.
aujourd'hui
“Aujourd’hui” betekent “vandaag” en plaatst “J’ai trop marché” in de tijd. Het staat in deze zin aan het einde, maar kan als tijdsaanduiding ook aan het begin van een zin staan.
Mets
“Mets” betekent hier “leg” of “zet” in de instructie “Mets ta jambe ici”. Het is de gebiedende wijs van “mettre”; gebruik het vóór het voorwerp dat ergens geplaatst moet worden.
ta
“Ta” betekent hier “jouw” in “ta jambe”. Het staat vóór het vrouwelijke zelfstandig naamwoord “jambe” en geeft aan van wie het been is.
ici
“Ici” betekent “hier” en geeft in “Mets ta jambe ici” de plaats van de handeling aan. Gebruik het om naar de plaats bij de spreker of in de huidige situatie te verwijzen.
en
“En” is hier onderdeel van de plaatsaanduiding “en hauteur” en helpt de betekenis “omhoog” of “op een hogere positie” uit te drukken. In deze instructie hoort het bij “hauteur”, niet bij “ici”.
hauteur
“Hauteur” betekent letterlijk “hoogte” en krijgt in “en hauteur” de praktische betekenis “omhoog” of “op een hogere positie”. De uitdrukking wordt hier gebruikt om aan te geven dat het been hoger moet liggen.
et
“Et” betekent “en” en verbindt in “Mets ta jambe ici, en hauteur, et repose-toi” twee instructies. Het helpt twee opeenvolgende handelingen in één zin te koppelen.
repose-toi
“Repose-toi” betekent hier “rust uit” en is een directe instructie aan één persoon. “Repose” is de gebiedende wijs van “se reposer” en “toi” verwijst naar de persoon die moet rusten; samen vormen ze de opdracht “repose-toi”.
Est-ce que
“Est-ce que” is in “Est-ce que je peux marcher un peu plus tard ?” de vaste vraagmarker voor een ja-neevraag. “Est-ce” en “que” vormen samen deze structuur; daarna volgt de gewone volgorde met “je peux”.
je
“Je” betekent “ik” en is in “je peux” degene die toestemming vraagt. Het staat hier vóór de werkwoordsvorm “peux”; gebruik het in een patroon als “je peux” + infinitief.
peux
“Peux” betekent hier “kan” of “mag” in “je peux marcher”. Het is de vorm die bij “je” hoort en wordt gevolgd door de infinitief “marcher” wanneer iemand naar mogelijkheid of toestemming vraagt.
marcher
“Marcher” betekent hier “lopen” en staat als infinitief na “je peux” in “je peux marcher”. Het patroon “je peux” + infinitief gebruik je om te vragen of je iets kunt of mag doen.
un peu
“Un peu” betekent hier “een beetje” en geeft in “marcher un peu” een kleine hoeveelheid of beperkte mate aan. De uitdrukking bestaat uit “un” en “peu” en staat hier na het werkwoord “marcher”.
plus
“Plus” is hier onderdeel van de tijdsaanduiding “plus tard” en draagt samen met “tard” de betekenis “later”. In deze dialoog moet je “plus tard” als geheel begrijpen, niet “plus” afzonderlijk als “meer”.
tard
“Tard” betekent letterlijk “laat” en vormt met “plus” de tijdsaanduiding “plus tard”, “later”. In “marcher un peu plus tard” geeft de uitdrukking aan dat het lopen op een later moment kan gebeuren.
Marche
“Marche” betekent hier “loop” en is een directe instructie aan één persoon. Het is de gebiedende wijs van “marcher”; in “Marche seulement si ça va” wordt de instructie beperkt door een voorwaarde.
seulement
“Seulement” betekent hier “alleen” en beperkt de instructie in “Marche seulement si ça va”. Het staat vóór de voorwaarde die bepaalt wanneer de handeling wel mag gebeuren.
si
“Si” betekent hier “als” en leidt in “si ça va” de voorwaarde in. Gebruik “si” vóór een bijzin om te zeggen onder welke voorwaarde iets geldt, zoals in “Marche seulement si ça va”.
ça
“Ça” betekent hier “het” of “dat” in de vaste uitdrukking “ça va”. Samen met “va” geeft het in deze dialoog aan dat het goed of in orde voelt.
va
“Va” is hier een vorm van “aller” in de uitdrukking “ça va”. “Ça va” betekent in deze situatie dat het goed gaat of in orde voelt; de uitdrukking staat na “si” in “si ça va”.
Le
“Le” betekent hier “de” of “het” en maakt in “Le canapé” duidelijk dat het om een specifieke bank gaat. Het staat vóór het mannelijke zelfstandig naamwoord “canapé”; gebruik “le” vóór een mannelijk zelfstandig naamwoord in het enkelvoud.
canapé
“Canapé” betekent hier “bank” of “sofa” in “Le canapé”. Het woord verwijst naar het meubel waarop de spreker liever zit dan op de stoel.
est
“Est” betekent hier “is” en verbindt in “Le canapé est plus confortable” het onderwerp met de eigenschap ervan. Het is een vorm van “être”; een bruikbaar patroon is zelfstandig naamwoord + “est” + eigenschap.
confortable
“Confortable” betekent hier “comfortabel” in de vergelijking “plus confortable que cette chaise”. Het beschrijft hoe prettig de bank is om op te zitten en staat na “est”.
que
“Que” betekent hier “dan” in de vergelijking “plus confortable que cette chaise”. Het hoort bij het patroon “plus ... que”, waarmee je twee dingen vergelijkt.
Alors
“Alors” betekent hier “dan” of “in dat geval” en leidt de volgende instructie in: “Alors, assieds-toi là”. Het verbindt de eerdere vergelijking met de daaruit volgende keuze.
là
“Là” betekent “daar” en verwijst in “assieds-toi là” naar de plaats waar de ander moet gaan zitten. Gebruik het als plaatsaanduiding bij een instructie of handeling.
ne
“Ne” is in “ne bouge pas ta jambe” het eerste deel van de Franse ontkenning. Samen met “pas” omringt het de werkwoordsvorm “bouge” en maakt het van de zin de instructie “beweeg je been niet”.
bouge
“Bouge” betekent hier “beweeg” in de ontkende instructie “ne bouge pas ta jambe”. Het is de gebiedende vorm van “bouger”; met “ne ... pas” wordt de opdracht negatief.
pas
“Pas” is in “ne bouge pas ta jambe” het tweede deel van de ontkenning. Samen met “ne” betekent “ne bouge pas” “beweeg niet”; daarna volgt het voorwerp “ta jambe”.