Je
« Je » betekent hier « ik » en is het onderwerp van « Je pense acheter cette petite enceinte. ». Het staat vóór een werkwoord, zoals in « Je peux vous expliquer la garantie »; je gebruikt het wanneer je over jezelf spreekt.
pense
« pense » betekent hier « denk » in « Je pense acheter cette petite enceinte. ». De infinitief is penser; pense is de vorm die bij je hoort. Het patroon « penser + infinitief » gebruik je om een plan of voornemen uit te drukken.
acheter
« acheter » betekent hier « kopen » en staat na « Je pense ». Het is een infinitief in het patroon « Je pense acheter ... ». Je gebruikt dit bijvoorbeeld wanneer je zegt dat je overweegt iets te kopen.
cette
« cette » betekent hier « deze » in « cette petite enceinte. ». Deze vorm staat vóór een vrouwelijk enkelvoudig zelfstandig naamwoord, hier enceinte. Je gebruikt « cette » om naar één bepaald vrouwelijk ding te verwijzen.
petite
« petite » betekent hier « kleine » en beschrijft « enceinte ». De basisvorm is petit; petite is de vorm die bij het vrouwelijke woord enceinte past. Het bijvoeglijke naamwoord staat hier direct vóór het zelfstandig naamwoord: « cette petite enceinte ».
enceinte
« enceinte » betekent hier « luidspreker », zoals in « cette petite enceinte ». In deze winkelsituatie gaat het dus om het product dat de klant wil kopen. Je kunt het samen met een aanwijzend woord en een beschrijving gebruiken, zoals « cette petite enceinte ».
peux
« peux » betekent hier « kan » in « Je peux vous expliquer la garantie ». De infinitief is pouvoir; peux is de vorm die bij je hoort. Het patroon « Je peux + infinitief » gebruik je om aan te bieden iets te doen of te zeggen dat je iets kunt doen.
vous
« vous » betekent hier « u » in « vous expliquer » en richt zich tot de klant. Het kan ook naar meerdere personen verwijzen, maar in deze dialoog is een formele aanspreekvorm bedoeld. Het staat vóór het werkwoord als meewerkend voorwerp in « Je peux vous expliquer la garantie ».
expliquer
« expliquer » betekent hier « uitleggen » in « vous expliquer la garantie ». Het is een infinitief na « peux » en krijgt « la garantie » als datgene wat wordt uitgelegd. Het patroon « pouvoir + expliquer + iets » is bruikbaar wanneer je hulp of informatie aanbiedt.
la
« la » betekent hier « de » in « la garantie ». Het is het bepaalde lidwoord vóór een vrouwelijk enkelvoudig woord. Je gebruikt het om naar een specifieke garantie te verwijzen.
garantie
« garantie » betekent hier « garantie » en verwijst naar de voorwaarden voor het product. In de dialoog staat het als « la garantie », onder meer in « expliquer la garantie » en « Que couvre la garantie ? ». Je gebruikt het in een winkel wanneer je naar de dekking of voorwaarden vraagt.
avant
« avant » betekent hier « voordat » in de verbinding « avant que vous décidiez ». Het geeft aan dat de uitleg plaatsvindt vóór de beslissing van de klant. Je gebruikt « avant » om een eerdere tijd of gebeurtenis aan te geven.
que
« que » leidt hier de bijzin in « avant que vous décidiez » in. Samen met avant maakt het de verbinding « avant que » voor « voordat ». Daarna volgt een volledige bijzin met een onderwerp en een werkwoord.
décidiez
« décidiez » betekent hier « beslist » in « avant que vous décidiez ». De infinitief is décider; deze vorm hoort bij vous en volgt hier na « avant que ». Je gebruikt de uitdrukking wanneer iets gebeurt voordat iemand een keuze maakt.
couvre
« couvre » betekent hier « dekt » in de vraag « Que couvre la garantie ? ». De infinitief is couvrir; couvre is de vorm die bij de garantie hoort. Het patroon « couvrir + voorwerp » gebruik je om te vragen of te zeggen wat een garantie omvat, zoals in « Elle couvre les défauts du produit ».
Elle
« Elle » betekent hier « zij » of « het » en verwijst naar de vrouwelijke garantie in « Elle couvre les défauts du produit ». Het is het onderwerp van couvre. Je gebruikt het om daarna opnieuw naar « la garantie » te verwijzen zonder het woord te herhalen.
les
« les » betekent hier « de » vóór het meervoudige woord « défauts ». Het verwijst naar meerdere productfouten in « les défauts du produit ». Je gebruikt « les » voor specifieke zaken in het meervoud.
défauts
« défauts » betekent hier « gebreken » of « productfouten » in « les défauts du produit ». De enkelvoudsvorm is défaut; défauts is de meervoudsvorm in deze zin. Je gebruikt het in deze context voor problemen waarvoor een garantie mogelijk dekking biedt.
du
« du » betekent hier « van het » in « du produit ». Het is de samentrekking van de en le. Je gebruikt « du » vóór een mannelijk enkelvoudig woord om een verband zoals « de productfouten van het product » uit te drukken.
produit
« produit » betekent hier « product » in « les défauts du produit ». Het geeft aan van welk product de gebreken zijn. Je gebruikt het samen met « du » wanneer je naar een specifiek product verwijst.
pendant
« pendant » betekent hier « tijdens » in « pendant une utilisation normale ». Het beschrijft de periode of omstandigheden waarin de productfouten onder de garantie vallen. Je gebruikt « pendant » vóór een zelfstandig naamwoord of een tijdsaanduiding.
une
« une » betekent hier « een » in « une utilisation normale ». Het staat vóór een vrouwelijk enkelvoudig zelfstandig naamwoord. Je gebruikt het wanneer je één, nog niet nader bepaalde vorm van gebruik bedoelt.
utilisation
« utilisation » betekent hier « gebruik » in « une utilisation normale ». Het woord benoemt de manier waarop het product wordt gebruikt. Je gebruikt het hier samen met « pendant » en een beschrijving: « pendant une utilisation normale ».
normale
« normale » betekent hier « normaal » en beschrijft « utilisation ». De basisvorm is normal; normale is de vorm die bij het vrouwelijke woord utilisation past. Je gebruikt het om het gebruik te beperken tot normaal gebruik.
Et
« Et » betekent hier niet alleen « en », maar vormt aan het begin van « Et les dommages accidentels ? » de vraag « En wat met ...? ». Het verbindt deze nieuwe vraag met de vorige uitleg. Je kunt « Et + zelfstandig naamwoord? » gebruiken om naar een ander geval te vragen.
dommages
« dommages » betekent hier « schade » in « les dommages accidentels ». De enkelvoudsvorm is dommage; dommages is hier meervoud. Je gebruikt het in deze winkelsituatie om te vragen naar schade die aan het product is ontstaan.
accidentels
« accidentels » betekent hier « door een ongeluk veroorzaakte » of « accidentele » en beschrijft « dommages ». De basisvorm is accidentel; accidentels past hier bij het mannelijke meervoud dommages. Samen met « dommages » verwijst het naar schade door een ongeluk.
Ce
« Ce » betekent hier « dat » en verwijst naar « les dommages accidentels » in « Ce ne serait pas couvert. ». Het is het onderwerp van de zin. Je gebruikt het om naar een eerder genoemde zaak of situatie terug te verwijzen.
ne
« ne » is hier het eerste deel van de ontkenning in « ne serait pas couvert ». Het staat vóór het werkwoord serait. Samen met pas maakt het de betekenis « niet »; ne gebruik je dus niet los voor deze ontkenning.
serait
« serait » betekent hier « zou zijn » in « Ce ne serait pas couvert. ». De infinitief is être; serait is een voorwaardelijke vorm. Hier wordt daarmee als antwoord op de vraag aangegeven dat de schade niet onder de garantie zou vallen.
pas
« pas » is hier het tweede deel van de ontkenning in « ne serait pas couvert ». Samen met ne betekent het « niet ». Het staat na het vervoegde werkwoord, zoals in deze zin.
couvert
« couvert » betekent hier « gedekt » in « Ce ne serait pas couvert. ». Met « serait » vormt het de mededeling dat iets onder de garantie valt of niet valt; met ne en pas is de betekenis hier negatief. Je gebruikt het in deze context om over garantiedekking te spreken.
Où
« Où » betekent hier « waar » in « Où dois-je aller s'il ne fonctionne plus ? ». Het vraagt naar de plaats waar de klant hulp moet zoeken. Je gebruikt « Où » aan het begin van een vraag naar een locatie.
dois
« dois » betekent hier « moet » of « zou moeten » in « Où dois-je aller ? ». De infinitief is devoir; dois is de vorm die bij je hoort. Het patroon « devoir + infinitief » gebruik je om te vragen wat je moet doen of waar je heen moet.
aller
« aller » betekent hier « gaan » in « Où dois-je aller ». Het is een infinitief na dois. Je gebruikt het in het patroon « devoir aller » wanneer je vraagt naar de plaats waar je heen moet.
s'il
« s'il » betekent hier « als hij » of « als het » in « s'il ne fonctionne plus ». Het is de samentrekking van si en il. Hier leidt het de voorwaarde in voor het geval dat de luidspreker niet meer werkt.
fonctionne
« fonctionne » betekent hier « werkt » in « s'il ne fonctionne plus ». De infinitief is fonctionner; fonctionne is de vorm die bij il hoort. Samen met ne en plus betekent de uitdrukking dat het apparaat niet langer werkt.
plus
« plus » betekent hier « meer » in de vaste ontkenning « ne fonctionne plus », die in deze context « niet meer werken » betekent. Het staat na het werkwoord fonctionne. Je gebruikt « ne ... plus » wanneer iets niet langer gebeurt of niet langer het geval is.
Apportez
« Apportez » betekent hier « breng » in de instructie « Apportez le ticket de caisse et la boîte au service client ». Het is een beleefde of meervoudige gebiedende vorm van apporter. Je gebruikt het om iemand te zeggen dat die bepaalde voorwerpen moet meenemen.
le
« le » betekent hier « de » in « le ticket de caisse ». Het is het bepaalde lidwoord vóór het mannelijke enkelvoudige woord ticket. Je gebruikt het om naar de specifieke kassabon te verwijzen.
ticket
« ticket » betekent hier « kassabon » in de volledige uitdrukking « le ticket de caisse ». In deze winkelsituatie is het het bewijs van aankoop dat de klant moet meenemen. Je gebruikt het samen met « de caisse » voor een kassabon.
de
« de » betekent hier « van » in « le ticket de caisse ». Het verbindt ticket met caisse en maakt duidelijk dat het om een ticket van de kassa gaat. Je gebruikt « de » hier om een relatie tussen twee zelfstandige naamwoorden aan te geven.
caisse
« caisse » betekent hier « kassa » in « ticket de caisse ». Het preciseert dat ticket verwijst naar de kassa. Samen betekent « le ticket de caisse » « de kassabon ».
boîte
« boîte » betekent hier « doos » in « la boîte ». Het is het tweede voorwerp dat de klant naar de klantenservice moet brengen. Je gebruikt het in deze situatie voor de doos waarin het product zat.
au
« au » betekent hier « naar de » in « au service client ». Het is de samentrekking van à en le. Je gebruikt het vóór een mannelijk enkelvoudig woord wanneer je een bestemming aangeeft.
service
« service » betekent hier « dienst » in « le service client ». Het verwijst naar de afdeling die klanten helpt. Je gebruikt het samen met client om naar de klantenservice te verwijzen.
client
« client » betekent hier « klant » in « le service client ». Het geeft aan dat de dienst voor klanten bedoeld is. In deze dialoog is het de bestemming waar de kassabon en doos moeten worden gebracht.
Ils
« Ils » betekent hier « zij » en verwijst naar de medewerkers van « le service client » in « Ils peuvent le vérifier. ». Het is het onderwerp van peuvent. Je gebruikt het om naar meerdere personen te verwijzen die iets kunnen doen.
peuvent
« peuvent » betekent hier « kunnen » in « Ils peuvent le vérifier ». De infinitief is pouvoir; peuvent is de vorm die bij ils hoort. Het patroon « Ils peuvent + infinitief » gebruik je om te zeggen wat meerdere mensen kunnen doen.
vérifier
« vérifier » betekent hier « controleren » of « nakijken » in « Ils peuvent le vérifier ». Het is een infinitief na peuvent en verwijst naar het controleren van het product. Je gebruikt het patroon « pouvoir vérifier + voorwerp » wanneer iemand iets kan nakijken.