Est-ce que
« Est-ce que » leidt hier een ja/nee-vraag in: A vraagt toestemming om iets te lenen. « Est-ce » opent de vraag en « que » verbindt die vraaginleiding met de rest; samen vormen ze een herbruikbaar vraagpatroon vóór een gewone zin, zoals in « Est-ce que je peux emprunter un mouchoir dans ton sac ? ».
je
« je » betekent ik en is hier het onderwerp van « peux » en later van « vais ». Het staat vóór de persoonsvorm, bijvoorbeeld in « je peux emprunter »; A gebruikt het om zelf toestemming te vragen of een handeling aan te kondigen.
peux
« peux » betekent hier kan of mag en is de vorm van « pouvoir » die bij « je » hoort. In « je peux emprunter » staat het vóór een infinitief; A gebruikt het om toestemming te vragen om een zakdoekje te lenen.
emprunter
« emprunter » betekent in deze dialoog lenen, namelijk een zakdoekje van iemand anders gebruiken en meenemen. Het is een infinitief na « peux » en staat vóór het geleende voorwerp in « emprunter un mouchoir »; je gebruikt het wanneer je beleefd om iets te leen vraagt.
un
« un » betekent hier een of één en staat vóór het enkelvoudige « mouchoir » in « un mouchoir ». Hetzelfde woord staat in « un autre mouchoir » voor nog een zakdoekje; A gebruikt het om één exemplaar te vragen.
mouchoir
« mouchoir » betekent zakdoekje en verwijst hier naar het voorwerp dat A wil lenen. Het komt voor in « un mouchoir » en « un autre mouchoir »; je gebruikt het in een alledaagse situatie waarin je om een zakdoekje vraagt of er een bij je houdt.
dans
« dans » betekent in en geeft hier aan waar iets zich bevindt: « dans ton sac » en « dans la poche latérale ». Het staat vóór de plaatsaanduiding; B gebruikt het om de vindplaats van de zakdoekjes te noemen.
ton
« ton » betekent jouw en staat vóór « sac » in « ton sac ». Het is de informele vorm voor één aangesproken persoon en wordt vóór een zelfstandig naamwoord gebruikt; A verwijst zo naar de tas van B.
sac
« sac » betekent tas en is in « ton sac » de plaats waar A een zakdoekje wil lenen. Het kan na een bezittelijk woord staan, zoals « ton sac »; de term is nuttig wanneer je naar iemands tas verwijst.
Ils
« Ils » betekent ze en verwijst hier naar de zakdoekjes die in de tas liggen. Het staat als onderwerp vóór « sont » in « Ils sont dans la poche latérale »; B gebruikt het om de locatie van meerdere zakdoekjes te beschrijven.
sont
« sont » betekent zijn en is de vorm van « être » die hier bij « Ils » hoort. In « Ils sont dans la poche latérale » koppelt het onderwerp aan een plaats; B gebruikt dit om te zeggen waar de zakdoekjes liggen.
la
In « la poche latérale » is « la » het bepaalde lidwoord bij « poche ». In « la refermer » is « la » een voornaamwoord dat naar de eerder genoemde zak verwijst, preciezer naar « la poche »; deze vormen worden gebruikt om het vak eerst te benoemen en daarna opnieuw aan te duiden.
poche
« poche » betekent hier zak of vak, specifiek in « la poche latérale » het zijvak van de tas. Het staat met « la » en wordt nader omschreven door « latérale »; B gebruikt het om het juiste deel van de tas aan te wijzen.
latérale
« latérale » betekent aan de zijkant en beschrijft in « la poche latérale » welk vak bedoeld wordt. Het is de vorm van « latéral » die bij « poche » past; B gebruikt deze combinatie om het zijvak van de tas precies te lokaliseren.
l'ouvrir
« l'ouvrir » betekent het openen, hier het zijvak openen. « l' » neemt het eerder genoemde « la poche » over en « ouvrir » benoemt de handeling; in « Est-ce que je peux l'ouvrir ? » vraagt A toestemming, een patroon dat je gebruikt wanneer het object al bekend is.
Tu
« Tu » betekent jij en is de informele aanspreekvorm voor één persoon. Het is het onderwerp in « Tu préfères » en « Tu peux »; B gebruikt deze vorm om A rechtstreeks aan te spreken.
préfères
« préfères » betekent verkiest of liever wilt en is de vorm van « préférer » die bij « tu » hoort. In « Tu préfères prendre toi-même un mouchoir ? » vraagt A naar B’s voorkeur; het staat vóór een infinitief om tussen handelingen te kiezen.
prendre
« prendre » betekent hier pakken of nemen, namelijk zelf een zakdoekje uit het vak pakken. Het is de infinitief na « préfères » in « préfères prendre toi-même un mouchoir »; je gebruikt dit wanneer iemand een voorwerp zelf uit een tas of vak haalt.
toi-même
« toi-même » betekent zelf en benadrukt dat de aangesproken persoon de handeling persoonlijk uitvoert. In « prendre toi-même un mouchoir » staat het bij de handeling « prendre »; A gebruikt het om de mogelijkheid te noemen dat B zelf een zakdoekje pakt.
J'en
« J'en » betekent hier ik heb er één van en verwijst naar een zakdoekje dat al eerder genoemd is. In « J'en ai un maintenant » neemt « en » het bekende voorwerp over en « J' » is de verkorte vorm van « je » vóór een klinker; dit patroon gebruik je wanneer het object al duidelijk is.
ai
« ai » betekent heb en is de vorm van « avoir » die na « J' » staat in « J'en ai un maintenant ». Samen met « en » en « un » zegt A dat hij nu één zakdoekje heeft; je gebruikt deze vorm om bezit met « je » uit te drukken.
maintenant
« maintenant » betekent nu en geeft aan dat A het zakdoekje op dit moment heeft. In « J'en ai un maintenant » staat het bij de mededeling over de huidige situatie; je gebruikt het om een verandering ten opzichte van eerder te markeren.
Referme
« Referme » betekent doe weer dicht en is de gebiedende vorm van « refermer » voor « tu ». In « Referme la poche » geeft B een instructie over het vak; je gebruikt deze vorm wanneer iemand iets opnieuw moet sluiten.
quand
« quand » betekent wanneer of als en leidt in « quand tu as fini » het moment in waarop iets moet gebeuren. Het staat vóór een volledige bijzin; B gebruikt het om het sluiten van het vak te koppelen aan het einde van A’s handeling.
as
« as » betekent hebt en is de vorm van « avoir » die bij « tu » hoort in « tu as fini ». Samen met « fini » drukt het uit dat de handeling afgerond is; in « quand tu as fini » geeft het een bruikbaar tijdspatroon voor een volgende handeling.
fini
« fini » betekent klaar of geëindigd in « tu as fini ». Het is de voltooide vorm van « finir » die hier met « as » wordt gebruikt; B verwijst ermee naar het moment waarop A klaar is met het zakdoekje pakken.
s'il te plaît
« s'il te plaît » betekent alsjeblieft en verzacht hier de instructie « Referme la poche ». « s'il » introduceert de voorwaarde, « te » verwijst naar de aangesproken persoon en « plaît » drukt uit dat iets aangenaam is; samen vormen ze een vaste beleefde toevoeging aan een verzoek.
vais
« vais » betekent ga en is de vorm van « aller » die bij « je » hoort in « Je vais refermer ». Met een infinitief geeft het hier aan wat A nu zal doen, namelijk het vak weer sluiten; je gebruikt « je vais » vóór een handeling die je binnenkort uitvoert.
refermer
« refermer » betekent weer dichtdoen en staat in « Je vais la refermer » na « vais ». Het benoemt de aangekondigde handeling en neemt met « la » het vak over; A gebruikt het om zorgvuldig te beloven dat hij het vak sluit.
soigneusement
« soigneusement » betekent zorgvuldig en beschrijft hoe A het vak zal sluiten in « refermer soigneusement ». Het is een bijwoord bij de handeling « refermer »; je gebruikt het wanneer je wilt aangeven dat iets nauwkeurig of voorzichtig gebeurt.
Garde
« Garde » betekent houd of bewaar en is een aansporing aan « tu » in « Garde un autre mouchoir avec toi ». Het staat vóór het voorwerp dat iemand moet houden; B gebruikt het om A aan te raden een extra zakdoekje bij zich te houden.
autre
« autre » betekent andere of nog een en beschrijft in « un autre mouchoir » een extra zakdoekje. Het staat tussen « un » en « mouchoir »; B gebruikt deze combinatie om niet hetzelfde, al gebruikte zakdoekje maar een extra exemplaar aan te duiden.
avec
« avec » betekent met en vormt hier samen met « toi » de uitdrukking « avec toi ». Die geeft aan dat A het zakdoekje bij zich houdt; je gebruikt « avec » vóór een persoon of voorwerp dat ergens samen mee is.
toi
« toi » betekent jou en is de beklemtoonde vorm na het voorzetsel « avec » in « avec toi ». Het verwijst naar de persoon die het zakdoekje bij zich houdt; B gebruikt deze combinatie om ‘bij jou’ uit te drukken.
si
« si » betekent als of indien en leidt de voorwaarde « si tu en as besoin » in. Het staat vóór een bijzin en koppelt de aanbeveling aan de behoefte aan een zakdoekje; je gebruikt het om te zeggen wanneer een handeling van toepassing is.
en
« en » verwijst hier naar een eerder genoemd zakdoekje of naar zakdoekjes. In « J'en ai un maintenant » betekent het er één van, terwijl het in « si tu en as besoin » het benodigde voorwerp overneemt; je gebruikt het wanneer de inhoud al uit de context bekend is.
besoin
« besoin » betekent behoefte en drukt in « tu en as besoin » uit dat iemand iets nodig heeft. « En » verwijst daar naar het zakdoekje, zodat de volledige uitdrukking betekent als je het nodig hebt; B gebruikt dit om de voorwaarde voor het bewaren van een extra zakdoekje te noemen.