Buitengesloten zijn en om hulp vragen | Leer frans in het Nederlands

French lesson set in a contemporary Paris everyday setting: At home, one adult asks for a place to wait while calling a landlord about being locked out of an apartment..

NL → FR / Niveau: A2

Over deze les

Met Buitengesloten zijn en om hulp vragen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het frans.

Dialoog

A

Je suis bloqué dehors et je ne peux pas entrer dans mon appartement.

zje swie blo-kee do-or ee zje nuh puh pah ahn-tree dahn mon na-par-tuh-mahn Ik ben buitengesloten en ik kan mijn appartement niet in.
B

Tu as une clé de rechange quelque part ?

tuu aa uun klee duh ruh-sjanzj kel-kuh par Heb je ergens een reservesleutel?
A

Je n'en ai pas, mais mon propriétaire en a peut-être une.

zje nan-ne pah, mee mon pro-prie-jee-teer an ah puh-tetrr uun Dat heb ik niet, maar mijn verhuurder heeft er misschien een.
B

Essaie d'appeler ton propriétaire maintenant.

eh-seh da-pleh ton pro-prie-jee-teer men-tuh-nan Probeer nu je verhuurder te bellen.
A

Est-ce que je peux attendre à l'intérieur pendant que j'appelle ?

es kuh zje puh ah-tahn-dr ah lan-teer-jeur pahn-dahn kuh zja-pel Mag ik binnen wachten terwijl ik bel?
B

Entre, reste un moment.

ahntr rest uhn mo-mahn Kom maar even binnen.
B

Il fait froid dehors.

iel fee frwaa do-or Het is daar buiten koud.
A

Je vais expliquer ce qui s'est passé et lui poser une question sur la clé.

zje vee eks-plee-kee suh kie seh pah-see ee lwie poh-zay uun kes-tyon suur lah klee Ik zal uitleggen wat er is gebeurd en naar de sleutel vragen.
B

Dis-moi si tu as besoin de quelque chose pendant que tu attends.

die-mwaa sie tie aa buh-zwan duh kel-kuh sjoz pahn-dahn kuh tie ah-tahn Zeg het me als je iets nodig hebt terwijl je wacht.

Woord voor woord

Je „Je” betekent hier „ik” en is de persoon die spreekt in „Je suis bloqué dehors”. Het staat vóór de werkwoordsvorm „suis” om de toestand van de spreker te beschrijven. Je gebruikt dit om over jezelf te vertellen.
suis „suis” betekent hier „ben” in „Je suis bloqué dehors”. Het is de vorm die bij „Je” hoort van het werkwoord être. Je gebruikt „Je suis...” om een toestand of situatie van jezelf te melden.
bloqué „bloqué” beschrijft hier dat de spreker buitengesloten of geblokkeerd is in „Je suis bloqué dehors”. Samen met „Je suis” geeft het aan dat de spreker zich buiten bevindt en niet naar binnen kan. Je gebruikt deze uitdrukking om uit te leggen waarom je hulp nodig hebt.
dehors „dehors” betekent hier „buiten”, in „Je suis bloqué dehors”. Het geeft de plaats aan waar de spreker zich bevindt. Het komt ook voor in „Il fait froid dehors” om te zeggen dat het buiten koud is.
et „et” betekent „en” en verbindt twee delen in „Je suis bloqué dehors et je ne peux pas entrer”. Het voegt de tweede informatie toe aan de eerste. Je gebruikt het om twee gebeurtenissen, toestanden of handelingen te verbinden.
ne „ne” is hier het eerste deel van de ontkenning in „je ne peux pas entrer”. Het staat vóór „peux” en vormt samen met „pas” de betekenis „kan niet”. Je gebruikt deze combinatie om een handeling of mogelijkheid te ontkennen.
peux „peux” betekent hier „kan” in „je ne peux pas entrer”. Het geeft aan dat de spreker niet in staat is om naar binnen te gaan; „pas” maakt dit negatief. Het staat vóór de handeling „entrer”.
pas „pas” is hier het tweede deel van de ontkenning in „je ne peux pas entrer”. Samen met „ne” betekent „ne ... pas” dat de spreker niet naar binnen kan. Je gebruikt deze combinatie om „niet” of „geen” uit te drukken.
entrer „entrer” betekent hier „naar binnen gaan” in „je ne peux pas entrer dans mon appartement”. Het staat na „peux” als de handeling die de spreker niet kan uitvoeren. Je gebruikt het voor het binnengaan van een plaats of ruimte.
dans „dans” betekent hier „in” en geeft de bestemming aan in „entrer dans mon appartement”. Het staat vóór de plaats waar iemand naar binnen gaat. Je gebruikt het om een locatie binnen iets aan te duiden.
mon „mon” betekent „mijn” en geeft bezit aan in „mon appartement”. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord. In de dialoog staat het ook in „mon propriétaire”, dus dezelfde vorm verbindt een bezitter met een persoon of zaak.
appartement „appartement” betekent „appartement” in „mon appartement”. Het benoemt de woning waar de spreker niet binnen kan. Je gebruikt dit woord om naar een appartement als plaats of woning te verwijzen.
Tu „Tu” betekent „jij” en richt de vraag aan één persoon in „Tu as une clé de rechange quelque part ?”. Het is het onderwerp van de vraag. Je gebruikt het wanneer je een bekende of gesprekspartner rechtstreeks aanspreekt.
as „as” betekent hier „hebt” in „Tu as une clé de rechange quelque part ?”. Het is de vorm van avoir die bij „Tu” hoort. Je gebruikt „Tu as...” om te vragen of iemand iets heeft.
une „une” betekent hier „een” vóór „clé” in „une clé de rechange”. Het introduceert één sleutel zonder die eerder specifiek te noemen. Je gebruikt het vóór een zelfstandig naamwoord wanneer je naar een niet-bepaalde zaak verwijst.
clé „clé” betekent „sleutel” in „une clé de rechange”. Het is het voorwerp waarnaar gevraagd wordt. In deze situatie gebruik je het om een sleutel voor de woning aan te duiden.
de „de” verbindt in „clé de rechange” het woord voor sleutel met de informatie dat het om een reserve- of vervangende sleutel gaat. Het geeft hier een relatie tussen twee zelfstandige naamwoorden aan. Je gebruikt deze structuur om een soort of functie van een voorwerp te beschrijven.
rechange „rechange” draagt in „clé de rechange” de betekenis „reserve-” of „vervangende”. Het specificeert welk soort sleutel bedoeld wordt. Je gebruikt het hier samen met „clé” om een reservesleutel aan te duiden.
quelque „quelque” draagt in „quelque part” de betekenis van „een of andere” plaats. Samen met „part” betekent de uitdrukking „ergens”. Je gebruikt deze combinatie wanneer de precieze locatie niet bekend of niet belangrijk is.
part „part” betekent in „quelque part” een plaats of plek. Samen met „quelque” vormt het de betekenis „ergens”, niet simpelweg „een deel”. Je gebruikt „quelque part” om naar een onbepaalde locatie te verwijzen.
n'en „n'en” is in „Je n'en ai pas” de ontkende verwijzing naar de eerder genoemde reservesleutel. „n'” hoort bij de ontkenning en „en” verwijst naar „une clé de rechange”. Je gebruikt deze vorm om te zeggen dat je er geen hebt.
ai „ai” betekent hier „heb” in „Je n'en ai pas”. Het is de vorm van avoir die bij „Je” hoort; samen met „n'en ... pas” betekent de zin dat de spreker er geen heeft. Je gebruikt deze vorm om bezit of beschikbaarheid bij jezelf uit te drukken.
mais „mais” betekent „maar” en vormt de overgang in „Je n'en ai pas, mais mon propriétaire en a peut-être une”. Het verbindt een ontkenning met aanvullende, tegengestelde informatie. Je gebruikt het om een uitzondering of contrast in te leiden.
propriétaire „propriétaire” betekent hier „verhuurder” in „mon propriétaire”. Het benoemt de persoon die mogelijk een sleutel heeft. Je gebruikt het woord in een gesprek over een woning en de persoon die daarvoor verantwoordelijk is.
en „en” verwijst in „mon propriétaire en a peut-être une” naar een eerder genoemde reservesleutel. Het voorkomt dat „une clé de rechange” opnieuw herhaald moet worden. Je gebruikt het hier als verwijzing naar iets dat al in het gesprek genoemd is.
a „a” betekent hier „heeft” in „mon propriétaire en a peut-être une”. Het is de vorm van avoir die bij „mon propriétaire” hoort. Het voornaamwoord „en” staat ervoor en verwijst naar de sleutel.
peut-être „peut-être” betekent „misschien” in „mon propriétaire en a peut-être une”. Het laat zien dat de spreker niet zeker weet of de verhuurder een sleutel heeft. Je gebruikt het om onzekerheid of een mogelijkheid uit te drukken.
Essaie „Essaie” betekent „probeer” en is in „Essaie d'appeler ton propriétaire maintenant” een aansporing aan de ander. Het moedigt de gesprekspartner aan om iets te doen. Je gebruikt het om iemand op een directe maar praktische manier een voorstel te doen.
d'appeler „d'appeler” betekent hier „te bellen” in „Essaie d'appeler ton propriétaire maintenant”. De vorm staat na „Essaie” en noemt de handeling die geprobeerd moet worden. Je gebruikt „Essaie d'appeler...” om iemand aan te raden een persoon telefonisch te contacteren.
ton „ton” betekent „jouw” in „ton propriétaire”. Het geeft aan dat de verhuurder bij de aangesproken persoon hoort. Je gebruikt het vóór een zelfstandig naamwoord wanneer je bezit of verbondenheid met „tu” uitdrukt.
maintenant „maintenant” betekent „nu” in „Essaie d'appeler ton propriétaire maintenant”. Het geeft aan dat de handeling meteen of op dit moment moet gebeuren. Je gebruikt het om een tijdstip in het heden aan te duiden.
Est-ce que „Est-ce que” is hier de volledige vraaginleiding in „Est-ce que je peux attendre à l'intérieur pendant que j'appelle ?”. „Est-ce” vormt de vraaginleiding en „que” verbindt die inleiding met de inhoud van de vraag; samen maken ze van „je peux attendre...” een gewone vraag. Je gebruikt deze constructie om beleefd naar een mogelijkheid of toestemming te vragen.
attendre „attendre” betekent „wachten” in „je peux attendre à l'intérieur”. Het staat na „peux” en benoemt wat de spreker wil doen. Je gebruikt het voor het blijven totdat iemand of iets beschikbaar is.
à „à” geeft in „à l'intérieur” de plaats aan waar iemand kan wachten. Samen met „l'intérieur” betekent de uitdrukking „binnen”. Je gebruikt deze combinatie om een positie aan de binnenkant aan te duiden.
l'intérieur „l'intérieur” betekent „de binnenkant” of „binnen” in „à l'intérieur”. Het benoemt de plaats waar de spreker mag wachten. Samen met „à” vormt het een gebruikelijke plaatsaanduiding.
pendant „pendant” betekent hier „terwijl” in „pendant que j'appelle”. Het geeft aan dat het wachten en bellen tegelijk plaatsvinden. Je gebruikt deze combinatie om een tijdsperiode of gelijktijdige handeling aan te duiden.
j'appelle „j'appelle” betekent „ik bel” in „pendant que j'appelle”. De „j'” is de verkorte vorm van „je” vóór de klinker van „appelle”. Je gebruikt deze vorm om te zeggen dat je zelf iemand belt.
Entre „Entre” betekent hier „kom binnen” in „Entre, reste un moment”. Het is een directe uitnodiging om de woning binnen te gaan. Je gebruikt het wanneer je iemand toestemming of een uitnodiging geeft om binnen te komen.
reste „reste” betekent „blijf” in „Entre, reste un moment”. Het moedigt de ander aan om niet meteen weg te gaan. Samen met „un moment” geeft het aan dat dit slechts korte tijd duurt.
un „un” betekent hier „een” in „un moment”. Het verwijst naar één korte, niet precies bepaalde periode. Je gebruikt het vóór „moment” om een korte tijdsduur aan te duiden.
moment „moment” betekent hier „momentje” of „een korte tijd” in „reste un moment”. Het geeft aan hoe lang de persoon binnen mag blijven. Je gebruikt deze uitdrukking om iemand voor korte tijd te laten wachten of blijven.
Il „Il” is in „Il fait froid dehors” het vaste onderwerp van de weeruitdrukking en verwijst hier niet naar een persoon. Samen met „fait froid” beschrijft het de temperatuur buiten. Je gebruikt deze vorm om over het weer te spreken.
fait „fait” heeft in „Il fait froid dehors” niet de losse betekenis „maakt”, maar hoort bij de Franse uitdrukking voor het weer. Samen met „Il” en „froid” betekent de zin dat het buiten koud is. Je gebruikt deze vorm om een weersomstandigheid te beschrijven.
froid „froid” betekent „koud” in „Il fait froid dehors”. Het beschrijft hier de temperatuur buiten. Je gebruikt het in deze weeruitdrukking om aan te geven dat de omgeving koud is.
vais „vais” betekent hier „ga” in „Je vais expliquer ce qui s'est passé”. Samen met „Je” en „expliquer” geeft het aan dat de spreker van plan is om iets uit te leggen. Je gebruikt deze vorm om een voorgenomen of direct volgende handeling aan te kondigen.
expliquer „expliquer” betekent „uitleggen” in „Je vais expliquer ce qui s'est passé”. Het benoemt de handeling die de spreker van plan is uit te voeren. Je gebruikt het wanneer je duidelijk wilt maken wat er is gebeurd.
ce „ce” betekent in „ce qui s'est passé” „wat” of „datgene wat”. Het introduceert de gebeurtenis waarover de spreker uitleg wil geven. Samen met „qui” verwijst het naar wat er gebeurd is.
qui „qui” verbindt in „ce qui s'est passé” „ce” met de gebeurtenis die heeft plaatsgevonden. Het helpt zo de betekenis „wat er gebeurd is” te vormen. Je gebruikt deze vorm om naar een gebeurtenis of informatie te verwijzen.
s'est „s'est” is in „ce qui s'est passé” een deel van de uitdrukking voor „gebeurd zijn”. Het krijgt zijn volledige betekenis samen met „passé” in „s'est passé”. Je gebruikt deze combinatie om naar een gebeurtenis in het verleden te verwijzen.
passé „passé” voltooit in „ce qui s'est passé” de uitdrukking die betekent „wat er gebeurd is”. Het verwijst hier naar de gebeurtenis die de spreker wil uitleggen. Je gebruikt „s'est passé” om te vertellen wat er is voorgevallen.
lui „lui” betekent hier „aan hem” en verwijst naar de verhuurder in „lui poser une question”. Het staat voor de persoon aan wie de vraag gesteld wordt. Je gebruikt deze vorm wanneer je naar die persoon verwijst zonder „mon propriétaire” opnieuw te herhalen.
poser „poser” betekent hier „stellen” in de vaste combinatie „lui poser une question”. Het benoemt de handeling van een vraag aan iemand richten. Je gebruikt „poser une question” om te zeggen dat je iemand iets vraagt.
question „question” betekent „vraag” in „lui poser une question sur la clé”. Het is de informatie die de spreker aan de verhuurder wil vragen. Je gebruikt het samen met „poser” om een vraag aan iemand te beschrijven.
sur „sur” betekent hier „over” in „une question sur la clé”. Het introduceert het onderwerp van de vraag. Je gebruikt het om te zeggen waar een vraag of gesprek over gaat.
la „la” is het bepaalde lidwoord vóór „clé” in „la clé”. Het verwijst naar de specifieke sleutel die al in de situatie bekend is. Je gebruikt het vóór een zelfstandig naamwoord wanneer het om een bepaalde zaak gaat.
Dis-moi „Dis-moi” betekent „zeg me” in „Dis-moi si tu as besoin de quelque chose”. Het is een directe uitnodiging om informatie te geven; „moi” geeft aan aan wie die informatie gericht is. Je gebruikt het om iemand te vragen je iets te laten weten.
si „si” betekent hier „als” in „Dis-moi si tu as besoin de quelque chose”. Het leidt de voorwaarde in waaronder de ander iets moet zeggen. Je gebruikt het om een voorwaarde of situatie te introduceren.
besoin „besoin” betekent „behoefte” in de vaste combinatie „avoir besoin de”. In „tu as besoin de quelque chose” betekent de volledige combinatie dat je iets nodig hebt. Je gebruikt deze structuur om aan te geven dat iemand iets nodig heeft.
chose „chose” betekent „ding” in „quelque chose”. Samen met „quelque” vormt het de betekenis „iets”. Je gebruikt deze combinatie wanneer je naar een niet nader genoemd voorwerp of iets algemeens verwijst.
attends „attends” betekent hier „wacht” in „pendant que tu attends”. Het beschrijft wat de aangesproken persoon doet tijdens de wachttijd. Je gebruikt deze vorm om te zeggen dat iemand op een persoon, gebeurtenis of hulp wacht.

Grammatica

pouvoir + infinitif

Je peux entrer ?

zje puh ahn-tree

Kan ik naar binnen?

Na peux volgt het hele werkwoord in de infinitief: entrer.

Dis-moi + quelque chose

Dis-moi quelque chose.

die-mwaa kel-kuh sjoz

Zeg me iets.

In de gebiedende wijs staat het voornaamwoord na het werkwoord en wordt het met een koppelteken verbonden.

Frans woordenschat

appartement zelfstandig naamwoord
ah-par-tuh-mahn appartement
appeler werkwoord
ah-pleh bellen
bloqué bijvoeglijk naamwoord
blo-kee buitengesloten

Je suis bloqué dehors.

clé de rechange uitdrukking
klee duh ruh-sjanzj reservesleutel
dehors bijwoord
do-or buiten
entrer werkwoord
ahn-tree binnengaan
essaie werkwoord
eh-seh probeer

Essaie d'appeler ton propriétaire.

maintenant bijwoord
men-tuh-nan nu
peut-être bijwoord
puh-tetrr misschien
peux werkwoord
puh kan

Je ne peux pas entrer.

propriétaire zelfstandig naamwoord
pro-prie-jee-teer verhuurder
quelque part bijwoord
kel-kuh par ergens

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Probeer nu je verhuurder te bellen.

Antwoord tonenEssaie d'appeler ton propriétaire maintenant.

Kom maar even binnen.

Antwoord tonenEntre, reste un moment.

Het is daar buiten koud.

Antwoord tonenIl fait froid dehors.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

verhuurder

Antwoord tonenpropriétaire

binnengaan

Antwoord tonenentrer

buiten

Antwoord tonendehors

kan

Antwoord tonenpeux