Een korte presentatie voorbereiden | Leer frans in het Nederlands

French lesson set in a contemporary Paris everyday setting: In a classroom, two adults plan a short presentation about study habits with an outline, transitions, and rehearsal notes..

NL → FR / Niveau: B1

Over deze les

Met Een korte presentatie voorbereiden oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het frans.

Dialoog

A

Je dois faire une courte présentation la semaine prochaine.

Zje dwaa feer uun koert pree-zan-ta-sjon laa suh-men pro-sjen. Ik moet volgende week een korte presentatie geven.
B

Commence par un plan clair avant d'écrire des phrases complètes.

Ko-mans par un plan klèr a-van dee-krier dee fraaz kom-plèt. Begin met een duidelijke opzet voordat je volledige zinnen schrijft.
A

Mon sujet, c'est comment j'ai changé mes habitudes d'étude.

Mon su-zjee, see ko-man zjee sjan-zjee mee za-bi-tuud dee-tuud. Mijn onderwerp is hoe ik mijn studiegewoonten heb veranderd.
B

C'est un sujet auquel on peut s'identifier, alors réfléchis à ce que le public va apprendre.

See-tun su-zjee oo-kèl on puh sie-dan-ti-fie, a-lor ree-flee-sjie aa suh kuh luh puu-blik va a-pran-dr. Dat is herkenbaar, dus bedenk wat het publiek ervan zal leren.
A

Je veux expliquer le problème, le changement et le résultat.

Zje vuh eks-plee-kee luh pro-blèm, luh sjan-zje-man ee luh ree-zul-ta. Ik wil het probleem, de verandering en het resultaat uitleggen.
B

Cette structure fonctionne. Ajoute des transitions simples entre ces parties.

Set struk-tuur fonk-sjon. A-zjoet dee tran-zie-sjon senpl an-truh see par-tie. Die structuur werkt. Voeg eenvoudige overgangen tussen die onderdelen toe.
A

Dois-je apprendre toute la présentation par cœur ?

Dwaazj a-pran-dr toet laa pree-zan-ta-sjon par keur. Moet ik de hele presentatie uit mijn hoofd leren?
B

Entraîne-toi avec des notes pour parler plus naturellement.

An-trèn twaa a-vek dee noot poor par-lee pluu na-tu-rèl-man. Oefen met notities, zodat je natuurlijker klinkt.
A

Je vais m'entraîner deux fois et m'enregistrer.

Zje vè man-tree-nee deu fwaa ee man-re-zjis-tree. Ik ga twee keer oefenen en mezelf opnemen.
B

Cela t'aidera à améliorer ton timing et à parler avec plus d'assurance.

Suh-la tèd-ruh-ra aa a-me-lee-o-ray ton tai-ming ee aa par-lee a-vek pluu da-sy-rans. Dat helpt je om je timing te verbeteren en zelfverzekerder te klinken.

Woord voor woord

Je Je betekent hier “ik” en is het onderwerp van de zin. De vorm staat vooraan in Je dois faire une courte présentation. Je gebruikt Je wanneer je jezelf als handelende persoon noemt.
dois Dois betekent hier “moet” en drukt een verplichting uit. Het hoort bij Je en staat voor de infinitief faire in Je dois faire une courte présentation. Dit is een bruikbaar patroon om te zeggen wat je moet doen.
faire Faire betekent hier “geven” in de vaste combinatie faire une présentation, hoewel het ook “doen” kan betekenen. Na dois staat de infinitief faire. De combinatie Je dois faire une courte présentation is bruikbaar wanneer je zegt dat je een presentatie moet geven.
une Une is hier het onbepaalde lidwoord bij présentation en betekent “een”. De vorm une hoort bij het vrouwelijke woord présentation. In une courte présentation staat het lidwoord vóór het zelfstandig naamwoord en het bijvoeglijk naamwoord.
courte Courte betekent hier “korte” en beschrijft présentation. De vorm courte past bij het vrouwelijke woord présentation. Je gebruikt deze combinatie om de duur of omvang van een presentatie te beschrijven.
présentation Présentation betekent hier “presentatie”, dus een voordracht die iemand moet geven. In une courte présentation wordt het woord bepaald door het lidwoord une en het bijvoeglijk naamwoord courte. De combinatie past bij een situatie waarin je iets voor een publiek uitlegt.
la La is hier het bepaalde lidwoord “de” bij semaine. Het staat in la semaine prochaine, waarmee naar een specifieke komende week wordt verwezen. Je gebruikt la vóór een vrouwelijk zelfstandig naamwoord wanneer het om een bepaalde zaak gaat.
semaine Semaine betekent hier “week” in de tijdsaanduiding la semaine prochaine. Het woord wordt voorafgegaan door la en gevolgd door prochaine. Deze combinatie gebruik je om te zeggen wanneer iets de komende week gebeurt.
prochaine Prochaine betekent hier “volgende” en beschrijft semaine in la semaine prochaine. De vorm staat na het zelfstandig naamwoord. De volledige tijdsaanduiding is bruikbaar om naar de komende week te verwijzen.
Commence Commence betekent hier “begin” en geeft een directe instructie aan één persoon. Het is de gebiedende vorm in Commence par un plan clair. Je gebruikt deze vorm wanneer je iemand adviseert waarmee die persoon moet starten.
par Par betekent hier “met” of “door te beginnen met” in Commence par un plan clair. Het geeft aan waarmee de handeling begint. De combinatie commence par wordt gebruikt om een eerste stap aan te wijzen.
un Un is hier het onbepaalde lidwoord “een” bij plan. De vorm staat vóór plan in un plan clair. Je gebruikt un vóór een mannelijk zelfstandig naamwoord wanneer je één niet nader bepaald exemplaar bedoelt.
plan Plan betekent hier “plan” of “opzet” voor de presentatie. In un plan clair gaat het om een overzicht dat voorafgaat aan het uitschrijven van volledige zinnen. Je gebruikt het woord bij een schema of structuur voor een taak.
clair Clair betekent hier “duidelijk” en beschrijft plan. De vorm staat na plan in un plan clair. Je gebruikt deze combinatie wanneer een opzet gemakkelijk te volgen moet zijn.
avant Avant betekent hier “voordat” en plaatst het schrijven van volledige zinnen na een eerdere stap. In avant d'écrire leidt het een infinitiefconstructie in. Je gebruikt avant om twee handelingen in tijd te ordenen.
d'écrire D'écrire betekent hier “te schrijven” in avant d'écrire des phrases complètes. Het is de vorm de vóór de infinitief écrire, met elisie voor de klinker. De combinatie avant d'écrire wordt gebruikt voor iets dat eerst moet gebeuren voordat iemand schrijft.
des Des is hier het meervoudige onbepaalde lidwoord vóór phrases en betekent ongeveer “enkele” of “-”. Het staat in des phrases complètes. Je gebruikt des wanneer je naar meerdere niet nader bepaalde zaken verwijst.
phrases Phrases betekent hier “zinnen”, namelijk de volledige zinnen die na de opzet worden geschreven. Het woord staat in des phrases complètes. Je gebruikt het bij geschreven of gesproken taal die uit zinnen bestaat.
complètes Complètes betekent hier “volledige” en beschrijft phrases. De vorm staat na phrases in des phrases complètes. Je gebruikt deze combinatie wanneer de zinnen volledig uitgeschreven zijn.
Mon Mon betekent hier “mijn” en bepaalt sujet in Mon sujet. De vorm staat vóór het zelfstandig naamwoord en laat zien dat het onderwerp van de spreker is. Je gebruikt mon bij een mannelijk zelfstandig naamwoord in het enkelvoud.
sujet Sujet betekent hier “onderwerp” van de presentatie. In Mon sujet, c'est comment j'ai changé mes habitudes d'étude wordt daarna uitgelegd welk onderwerp het is. Je gebruikt het woord om het thema van een gesprek, tekst of presentatie aan te wijzen.
c'est C'est betekent hier “het is” of “dat is” en verbindt Mon sujet met de uitleg erna. Het is de samengevoegde vorm van ce en est. In Mon sujet, c'est comment j'ai changé mes habitudes d'étude wordt hiermee het onderwerp nader benoemd.
comment Comment betekent hier “hoe” en leidt de uitleg in over de manier waarop de gewoonten zijn veranderd. Het staat vóór j'ai changé in comment j'ai changé mes habitudes d'étude. Je gebruikt comment om naar een manier of verloop te vragen of te verwijzen.
j'ai J'ai betekent hier “ik heb” en vormt samen met changé de verleden tijd in j'ai changé. Het is de samengevoegde vorm van je en ai. Je gebruikt deze combinatie om een verandering te vertellen die de spreker heeft meegemaakt.
changé Changé betekent hier “veranderd” in j'ai changé mes habitudes d'étude. Samen met j'ai beschrijft het een verandering van de studiegewoonten van de spreker. De vorm staat vóór het lijdend voorwerp mes habitudes d'étude.
mes Mes betekent hier “mijn” bij het meervoudige woord habitudes. Het staat vóór mes habitudes d'étude en verwijst naar de studiegewoonten van de spreker. Je gebruikt mes bij meerdere zaken die van jezelf zijn.
habitudes Habitudes betekent hier “gewoonten”, meer bepaald gewoonten rond studeren. In mes habitudes d'étude wordt het woord nader bepaald door d'étude. Je gebruikt het om herhaalde manieren van handelen te beschrijven.
d'étude D'étude betekent hier “van studie” en specificeert het soort gewoonten in habitudes d'étude. Het is de vorm de vóór étude, met elisie. De combinatie mes habitudes d'étude is bruikbaar wanneer je terugkerende manieren van studeren beschrijft.
auquel Auquel verwijst hier naar het onderwerp waaraan mensen zich kunnen herkennen in un sujet auquel on peut s'identifier. Het is de samengevoegde vorm van à en lequel en sluit aan bij het mannelijke woord sujet. Je gebruikt auquel na een constructie die met à wordt verbonden en naar een mannelijk enkelvoudig antecedent verwijst.
on On betekent hier “men” of “mensen in het algemeen” in auquel on peut s'identifier. Het is het onderwerp van peut s'identifier. Je gebruikt on om mensen algemeen aan te duiden zonder een specifieke persoon te noemen.
peut Peut betekent hier “kan” in on peut s'identifier. De vorm drukt mogelijkheid uit en staat vóór de infinitief s'identifier. Je gebruikt peut om aan te geven dat iets mogelijk is.
s'identifier S'identifier betekent hier “zich herkennen in” een onderwerp, in auquel on peut s'identifier. De vorm bevat het wederkerende element s' en de infinitief identifier. Je gebruikt deze constructie wanneer iemand overeenkomsten met een persoon, ervaring of onderwerp herkent.
alors Alors betekent hier “dus” of “dan” en leidt het advies réfléchis à ce que le public va apprendre in. Het verbindt de herkenbaarheid van het onderwerp met de volgende gedachte. Je gebruikt alors om een gevolg of vervolgstap aan te kondigen.
réfléchis Réfléchis betekent hier “denk na” en is een directe instructie aan één persoon. In réfléchis à ce que le public va apprendre geeft het aan dat de spreker over een vraag moet nadenken. Je gebruikt réfléchir à wanneer je je gedachten op iets richt.
à À betekent hier “over” in réfléchis à ce que le public va apprendre. Het hoort bij réfléchir à en verbindt het werkwoord met het onderwerp waarover iemand nadenkt. Deze voorzetselcombinatie is bruikbaar bij nadenken over een vraag of onderwerp.
ce Ce maakt in ce que een verwijzing naar “datgene wat” mogelijk. Samen met que leidt het de inhoud in waarover wordt nagedacht: ce que le public va apprendre. Je gebruikt ce que om te verwijzen naar wat iemand doet, weet of zal leren.
que Que vormt hier samen met ce de constructie ce que, met de betekenis “wat”. Het leidt de bijzin in ce que le public va apprendre en verbindt die met réfléchir à. Je gebruikt ce que wanneer de inhoud van een handeling of gedachte wordt genoemd.
le Le is hier het bepaalde lidwoord “het/de” vóór public. In le public verwijst het naar het publiek van de presentatie als geheel. Je gebruikt le vóór een mannelijk zelfstandig naamwoord wanneer het om een bepaalde groep of zaak gaat.
public Public betekent hier “publiek”, de mensen die de presentatie zullen volgen. In le public va apprendre is het onderwerp van va apprendre. Je gebruikt het woord bij de toehoorders of kijkers van een presentatie.
va Va betekent hier “gaat” en vormt met apprendre de nabije toekomst in le public va apprendre. Het staat na le public en vóór de infinitief apprendre. Je gebruikt deze combinatie om te zeggen wat het publiek binnenkort of volgens de planning zal leren.
apprendre Apprendre betekent hier “leren” in le public va apprendre. Het staat als infinitief na va en benoemt wat het publiek uit de presentatie zal halen. Je gebruikt apprendre met een persoon of groep die nieuwe kennis opdoet.
veux Veux betekent hier “wil” en drukt de bedoeling van de spreker uit. Het staat in Je veux expliquer en wordt gevolgd door de infinitief expliquer. Je gebruikt deze combinatie om te zeggen wat je van plan bent te doen.
expliquer Expliquer betekent hier “uitleggen” in Je veux expliquer le problème, le changement et le résultat. Na veux staat de infinitief expliquer, gevolgd door wat wordt uitgelegd. Je gebruikt het bij het begrijpelijk maken van een probleem, verandering of resultaat.
problème Problème betekent hier “probleem” en is één van de drie onderdelen die de spreker wil uitleggen. Het staat in le problème, le changement et le résultat. Je gebruikt het om een moeilijkheid of kwestie aan te duiden.
changement Changement betekent hier “verandering” en is het tweede inhoudelijke onderdeel van de geplande uitleg. Het staat naast le problème en le résultat in dezelfde opsomming. Je gebruikt het bij een wijziging in een situatie of werkwijze.
et Et betekent hier “en” en verbindt changement met résultat in de opsomming. Het voegt het laatste onderdeel toe aan de twee eerdere onderdelen. Je gebruikt et om woorden of zinsdelen met elkaar te verbinden.
résultat Résultat betekent hier “resultaat”, het gevolg dat na het probleem en de verandering wordt besproken. Het staat als laatste onderdeel in le problème, le changement et le résultat. Je gebruikt het om de uitkomst van een verandering of aanpak te benoemen.
Cette Cette betekent hier “deze” en verwijst naar structure in Cette structure fonctionne. De vorm staat vóór het vrouwelijke zelfstandig naamwoord structure. Je gebruikt cette om één vrouwelijke zaak gericht aan te wijzen.
structure Structure betekent hier “structuur” van de presentatie: probleem, verandering en resultaat. In Cette structure fonctionne wordt die opbouw positief beoordeeld. Je gebruikt het woord voor de manier waarop onderdelen geordend zijn.
fonctionne Fonctionne betekent hier “werkt” of “functioneert” in Cette structure fonctionne. Het beschrijft dat de voorgestelde opbouw geschikt is. Je gebruikt het om te beoordelen of een plan, methode of opzet goed werkt.
Ajoute Ajoute betekent hier “voeg toe” en geeft een directe instructie aan één persoon. In Ajoute des transitions simples entre ces parties wordt gezegd wat er aan de structuur moet worden toegevoegd. Je gebruikt deze vorm om iemand te vragen iets erbij te zetten.
transitions Transitions betekent hier “overgangen” tussen de verschillende delen van de presentatie. In Ajoute des transitions simples tussen ces parties gaat het om verbindende elementen tussen die onderdelen. Je gebruikt het bij een presentatie of tekst die van het ene onderdeel naar het andere gaat.
simples Simples betekent hier “eenvoudige” en beschrijft transitions. De vorm staat na transitions in des transitions simples. Je gebruikt deze combinatie wanneer de verbindingen tussen onderdelen niet ingewikkeld hoeven te zijn.
entre Entre betekent hier “tussen” en geeft de positie van transitions ten opzichte van ces parties aan. In entre ces parties staat het vóór de twee onderdelen waartussen iets wordt geplaatst. Je gebruikt entre om een plaats of relatie tussen twee of meer zaken te beschrijven.
ces Ces betekent hier “deze” en verwijst naar meerdere onderdelen in ces parties. Het staat vóór het meervoudige zelfstandig naamwoord parties. Je gebruikt ces om meerdere aangewezen zaken te benoemen.
parties Parties betekent hier “delen” van de presentatie. In entre ces parties verwijst het naar de onderdelen waartussen overgangen nodig zijn. Je gebruikt het bij afzonderlijke secties van een presentatie, tekst of plan.
Dois-je Dois-je betekent hier “moet ik” en vormt een vraag over een verplichting of advies. De vorm gebruikt inversie: dois staat vóór je in Dois-je apprendre toute la présentation par cœur ?. Je gebruikt deze vraag om te vragen of je iets volledig uit het hoofd moet leren.
toute Toute betekent hier “de hele” en benadrukt dat het om de volledige presentatie gaat. In toute la présentation staat toute vóór het vrouwelijke woord présentation. Je gebruikt deze vorm om een volledige vrouwelijke zaak aan te duiden.
par cœur Par cœur betekent als geheel “uit het hoofd”. In apprendre toute la présentation par cœur geeft de uitdrukking aan dat de presentatie zonder notities uit het geheugen moet worden opgezegd. Par draagt bij aan de vaste uitdrukking en cœur betekent letterlijk “hart”; samen vormen ze hier de betekenis “uit het hoofd”.
Entraîne-toi Entraîne-toi betekent hier “oefen” of “repeteer” en is een directe instructie aan één persoon. De vorm bevat het wederkerende element toi en staat in Entraîne-toi avec des notes. Je gebruikt deze instructie wanneer iemand een vaardigheid moet oefenen.
avec Avec betekent hier “met” en geeft aan welke hulpmiddelen bij het oefenen worden gebruikt. In avec des notes verwijst het naar notities. Je gebruikt avec om begeleiding, gezelschap of een hulpmiddel aan te geven.
notes Notes betekent hier “notities”, die de spreker tijdens het oefenen kan gebruiken. In Entraîne-toi avec des notes staat het na avec. Je gebruikt het bij korte geschreven geheugensteunen voor een presentatie of gesprek.
pour Pour betekent hier “om te” en geeft het doel van het oefenen aan. In pour parler plus naturellement leidt het de infinitief parler in. Je gebruikt pour + infinitief om uit te leggen met welk doel iemand iets doet.
parler Parler betekent hier “spreken” in pour parler plus naturellement. Het staat als infinitief na pour en benoemt het doel van het oefenen. Je gebruikt deze infinitief wanneer het doel is om mondeling te communiceren.
plus Plus betekent hier “meer” en maakt naturellement vergelijkend: plus naturellement betekent “natuurlijker”. Het staat vóór het bijwoord naturellement. Je gebruikt plus om een hogere mate van een eigenschap of manier aan te geven.
naturellement Naturellement betekent hier “natuurlijker” of “op een natuurlijke manier” in parler plus naturellement. Samen met plus beschrijft het hoe de spreker zal klinken. Je gebruikt het om een ontspannen en niet-afgelezen manier van spreken te beschrijven.
vais Vais betekent hier “ga” en vormt met m'entraîner en m'enregistrer de nabije toekomst in Je vais m'entraîner deux fois et m'enregistrer. Het geeft aan wat de spreker van plan is te doen. Je gebruikt je vais + infinitief voor een voorgenomen handeling.
m'entraîner M'entraîner betekent hier “me oefenen” of “repeteren” in Je vais m'entraîner deux fois. Het bevat me als wederkerend element en staat na vais. Je gebruikt deze vorm wanneer je zelf een vaardigheid of presentatie oefent.
fois Fois betekent hier “keer” in deux fois en geeft aan hoe vaak de spreker zal oefenen. Het staat na het aantalwoord deux. Je gebruikt fois om de frequentie of het aantal herhalingen te benoemen.
m'enregistrer M'enregistrer betekent hier “mezelf opnemen” in Je vais m'entraîner deux fois et m'enregistrer. Het bevat me als wederkerend element en staat naast m'entraîner na vais. Je gebruikt deze vorm wanneer je je eigen stem of optreden opneemt.
Cela Cela betekent hier “dat” en verwijst naar het eerder genoemde oefenen en opnemen. In Cela t'aidera à améliorer ton timing en à parler avec plus d'assurance is het onderwerp van t'aidera. Je gebruikt cela om naar een eerder genoemde handeling of situatie te verwijzen.
t'aidera T'aidera betekent hier “zal je helpen” en verwijst naar het effect van de oefening. De vorm bevat t' voor “jou” en aidera voor “zal helpen”. In t'aidera à améliorer ton timing staat erna waarmee de hulp nuttig zal zijn.
améliorer Améliorer betekent hier “verbeteren” in t'aidera à améliorer ton timing. Het staat na à en benoemt het doel van de hulp. Je gebruikt de constructie aider quelqu'un à améliorer iets wanneer iemand ondersteuning krijgt om iets beter te maken.
timing Timing betekent hier “timing” of “tijdsindeling” van de presentatie. In améliorer ton timing gaat het om het beter afstemmen van tempo en tijd. Je gebruikt het woord bij de manier waarop onderdelen binnen de beschikbare tijd verlopen.
d'assurance D'assurance betekent hier “met zelfvertrouwen” in parler avec plus d'assurance. De vorm hoort bij plus en geeft aan dat de manier van spreken meer zekerheid uitstraalt. Je gebruikt de combinatie plus d'assurance wanneer iemand zelfverzekerder overkomt.

Grammatica

devoir + infinitif

Je dois faire une présentation.

Zje dwaa feer uun pree-zan-ta-sjon.

Ik moet een presentatie geven.

Na devoir staat het volgende werkwoord in het infinitief: dois faire.

futur simple

Cela aidera naturellement.

Suh-la èd-ruh-ra na-tu-rèl-man.

Dat zal natuurlijk helpen.

De uitgang -a in aidera geeft de toekomende tijd aan: iets zal helpen.

Frans woordenschat

changer werkwoord
sjan-zjee veranderen changé
clair bijvoeglijk naamwoord
klèr duidelijk
complet bijvoeglijk naamwoord
kom-plè volledig complètes
court bijvoeglijk naamwoord
koer kort courte
devoir werkwoord
duh-vwaar moeten dois

Je dois faire une courte présentation.

écrire werkwoord
ee-krier schrijven

avant d'écrire des phrases complètes

faire werkwoord
feer doen; geven

faire une présentation

habitude zelfstandig naamwoord
a-bi-tuud gewoonte habitudes

mes habitudes d'étude

phrase zelfstandig naamwoord
fraaz zin phrases
plan zelfstandig naamwoord
plan opzet; plan

un plan clair

présentation zelfstandig naamwoord
pree-zan-ta-sjon presentatie

une courte présentation

sujet zelfstandig naamwoord
su-zjee onderwerp

Quiz

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

duidelijk

Antwoord tonenclair

volledig

Antwoord tonencomplètes

doen; geven

Antwoord tonenfaire

moeten

Antwoord tonendois