Je
‘Je’ betekent hier ‘ik’ en is het onderwerp van de zin. Het staat vóór een werkwoord om aan te geven wie iets doet of voelt.
suis
‘Suis’ betekent hier ‘ben’ en vormt met ‘Je’ de mededeling dat de spreker spijt heeft. Het is de vorm die bij ‘je’ hoort in deze uitdrukking.
vraiment
‘Vraiment’ betekent ‘echt’ en versterkt hier de uitgesproken spijt. Het staat bij een gevoel of beoordeling om die nadrukkelijker te maken.
désolé
‘Désolé’ drukt hier uit dat de spreker spijt heeft en zich verontschuldigt. In deze situatie gebruik je het wanneer je iemand voor een ongemak of wijziging excuses aanbiedt.
mais
‘Mais’ betekent ‘maar’ en verbindt hier de verontschuldiging met de reden of noodzakelijke mededeling erna. Het markeert een tegenstelling tussen spijt hebben en toch moeten afzeggen.
dois
‘Dois’ betekent hier ‘moet’ in de mededeling over wat de spreker noodzakelijk moet doen. Het wordt gevolgd door een infinitief om de verplichte handeling te noemen.
annuler
‘Annuler’ betekent ‘annuleren’ en noemt hier de handeling die de spreker moet uitvoeren. Na ‘dois’ staat deze onvervoegde vorm; een bruikbaar patroon is een vorm van devoir gevolgd door een infinitief.
le
‘Le’ is hier het bepaalde lidwoord vóór ‘programme’. Het verwijst naar het concrete plan waarover de gesprekspartners spreken.
programme
‘Programme’ betekent hier ‘programma’ of ‘plan’, namelijk de geplande activiteit voor de avond. Het kan in deze context het onderwerp van een afspraak of avondplanning aanduiden.
de
‘De’ verbindt hier ‘programme’ met ‘ce soir’ en geeft aan om welk tijdstip het plan gaat. Het staat in deze constructie tussen een zelfstandig naamwoord en de tijdsaanduiding die het nader bepaalt.
ce
‘Ce’ betekent hier ‘deze’ in de tijdsaanduiding ‘ce soir’. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord om naar de huidige of bedoelde avond te verwijzen.
soir
‘Soir’ betekent ‘avond’ en maakt samen met ‘ce’ de tijdsaanduiding voor het plan. Je gebruikt het om naar het avonddeel van een dag te verwijzen.
C'est
‘C’est’ betekent hier ‘dat is’ en leidt de beoordeling ‘décevant’ in. Het is een vaste manier om iets te benoemen of te beoordelen.
décevant
‘Décevant’ betekent ‘teleurstellend’ en geeft hier de reactie op het afzeggen weer. Het wordt gebruikt om een gebeurtenis of situatie negatief te beoordelen.
Est
‘Est’ is hier de vorm van ‘être’ in de vraagopening ‘Est-ce que’. Samen met de rest van die opening maakt het een ja-neevraag over wat er is gebeurd.
qu'il
‘Qu’il’ bestaat hier uit ‘que’ en ‘il’ en leidt in ‘Est-ce qu’il...’ de bijzin over een mogelijke gebeurtenis in. In deze vraag verwijst ‘il’ naar wat er gebeurd kan zijn, niet naar een genoemde persoon.
s'est
‘S’est’ vormt hier samen met ‘passé’ de uitdrukking voor ‘is gebeurd’. De vorm bevat het wederkerende element van ‘se passer’ en het hulpwerkwoord ‘est’.
passé
‘Passé’ betekent hier ‘gebeurd’ binnen ‘s’est passé’. Het is de vorm die samen met ‘s’est’ aangeeft dat er iets heeft plaatsgevonden.
quelque chose
‘Quelque chose’ betekent samen ‘iets’: ‘quelque’ draagt het idee van ‘een zekere hoeveelheid’ bij en ‘chose’ betekent ‘ding’. Deze uitdrukking gebruik je wanneer je naar iets onbepaalds verwijst.
d'urgent
‘D’urgent’ betekent hier ‘dringends’ in ‘quelque chose d’urgent’. De apostrof is de verkorte vorm van ‘de’ vóór ‘urgent’, en de hele verbinding beschrijft ‘iets’ als dringend.
Un
‘Un’ betekent hier ‘een’ en introduceert één niet nader bepaald probleem. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord ‘problème’.
problème
‘Problème’ betekent ‘probleem’ en benoemt hier de familiekwestie die is ontstaan. Het kan samen met een beschrijvend woord het soort probleem aangeven.
familial
‘Familial’ betekent hier ‘familiaal’ of ‘met de familie te maken hebbend’ en beschrijft ‘problème’. Het staat na het zelfstandig naamwoord om het probleem nader te typeren.
survenu
‘Survenu’ betekent hier ‘zich voorgedaan’ of ‘ontstaan’ in ‘est survenu’. Het is de voltooide vorm van ‘survenir’ en beschrijft een probleem dat onverwacht is opgetreden.
et
‘Et’ betekent ‘en’ en verbindt hier het ontstane probleem met de mededeling dat de spreker niet weg kan. Het voegt twee mededelingen binnen dezelfde uitleg samen.
ne
‘Ne’ maakt hier samen met ‘pas’ de ontkenning in ‘ne peux pas’. Het staat vóór het vervoegde werkwoord; in gesproken Frans kan het soms wegvallen, maar hier staat het in de volledige ontkenning.
peux
‘Peux’ betekent hier ‘kan’ en geeft aan dat de spreker niet in staat is om weg te gaan. Het wordt gevolgd door een infinitief die de mogelijke handeling noemt.
pas
‘Pas’ vormt hier samen met ‘ne’ de ontkenning van ‘peux’. Het staat na het vervoegde werkwoord en maakt van ‘kan’ de betekenis ‘kan niet’.
quitter
‘Quitter’ betekent ‘verlaten’ en noemt de handeling die de spreker niet kan uitvoeren. Na ‘peux’ staat deze infinitief; het object van de handeling volgt er direct op.
la
‘La’ is hier het bepaalde lidwoord vóór ‘maison’. Het verwijst naar het concrete huis dat de spreker niet kan verlaten.
maison
‘Maison’ betekent ‘huis’ en is hier de plaats die de spreker niet kan verlaten. Het staat na ‘quitter’ als datgene wat verlaten zou worden.
comprends
‘Comprends’ betekent hier ‘begrijp’ in de reactie ‘Je comprends’. Daarmee laat de spreker weten dat hij of zij de situatie van de ander begrijpt.
j'aurais
‘J’aurais’ betekent hier ‘ik zou hebben’ en vormt samen met ‘aimé’ een beleefde terugblik op een onvervulde wens. Het staat vóór een voltooid deelwoord in deze uitdrukking.
aimé
‘Aimé’ betekent hier niet eenvoudig ‘geliefd’, maar draagt in ‘j’aurais aimé’ de betekenis ‘graag gewild’. Het is de voltooide vorm van ‘aimer’ in een uitdrukking voor een wens over het verleden.
savoir
‘Savoir’ betekent ‘weten’ en is hier datgene wat de spreker eerder had willen doen: de informatie kennen. Het staat als infinitief na ‘j’aurais aimé’.
plus
‘Plus’ draagt hier samen met ‘tôt’ de betekenis ‘eerder’, niet de betekenis ‘meer’. In deze tijdsaanduiding maakt het van ‘tôt’ een vergelijking met een vroeger moment.
tôt
‘Tôt’ betekent ‘vroeg’ en betekent in ‘plus tôt’ samen ‘eerder’. Je gebruikt het om een tijdstip vóór het besproken moment aan te duiden.
Tu
‘Tu’ betekent ‘jij’ en is hier het onderwerp van de rechtstreekse reactie. Het is de informele aanspreekvorm voor één persoon.
as
‘As’ betekent hier ‘hebt’ in de vaste uitdrukking ‘tu as raison’. Samen met ‘raison’ drukt het uit dat de aangesproken persoon gelijk heeft.
raison
‘Raison’ betekent hier ‘gelijk’ binnen ‘tu as raison’, niet alleen ‘reden’. Deze uitdrukking gebruik je om toe te geven dat iemand een terecht punt heeft.
dû
‘Dû’ betekent hier samen met ‘j’aurais’ ‘had moeten’. Het is de voltooide vorm van ‘devoir’ en geeft een verplichting aan die eerder niet is uitgevoerd.
te
‘Te’ betekent hier ‘je’ of ‘jou’ als persoon aan wie iets gezegd had moeten worden. Het staat vóór de infinitief in ‘te le dire’.
dire
‘Dire’ betekent ‘zeggen’ of ‘vertellen’ en benoemt hier de informatie die de spreker eerder had moeten doorgeven. Het staat als infinitief na ‘dû’.
dès
‘Dès’ betekent hier ‘zodra’ in de verbinding ‘dès que’. Het geeft aan dat de handeling onmiddellijk na een bepaald moment had moeten gebeuren.
que
‘Que’ betekent hier samen met ‘dès’ ‘zodra’ en leidt de bijzin met het moment van weten in. In deze verbinding koppelt het de tijdsvoorwaarde aan de hoofdzin.
l'ai
‘L’ai’ bestaat hier uit het voornaamwoord ‘le’ en de vorm ‘ai’ van ‘avoir’ in ‘je l’ai su’. ‘L’’ verwijst naar de informatie en ‘ai’ helpt de voltooide vorm te maken.
su
‘Su’ betekent hier ‘geweten’ in ‘je l’ai su’. Het is de voltooide vorm van ‘savoir’ en verwijst naar het moment waarop de spreker de informatie kende.
t'en
‘T’en’ betekent hier samen met ‘remercie’ ‘je bedank je daarvoor’. ‘T’’ verwijst naar de persoon die wordt bedankt en ‘en’ naar de vooraf genoemde handeling of mededeling.
remercie
‘Remercie’ betekent hier ‘bedank’ in ‘je t’en remercie’. De vorm drukt waardering uit voor wat de ander heeft gezegd of gedaan.
j'avais
‘J’avais’ betekent hier ‘ik had’ en plaatst het begin van het klaarmaken vóór het huidige gesprek. Het staat vóór ‘commencé’ om een eerdere toestand of handeling te beschrijven.
déjà
‘Déjà’ betekent ‘al’ en benadrukt hier dat het klaarmaken op dat moment begonnen was. Het geeft aan dat de handeling vóór het relevante moment al aan de gang was.
commencé
‘Commencé’ betekent ‘begonnen’ in ‘j’avais déjà commencé’. Met ‘à’ en een infinitief beschrijft het het begin van een handeling.
à
‘À’ betekent hier ‘te’ en verbindt ‘commencé’ met de handeling die begonnen was. Het staat vóór een infinitief in de constructie voor beginnen met iets doen.
me
‘Me’ verwijst hier naar de spreker zelf in ‘me préparer’: de spreker maakt zichzelf klaar. Het staat vóór de infinitief en heeft een wederkerende functie.
préparer
‘Préparer’ betekent ‘klaarmaken’ en staat hier in ‘me préparer’, dus zichzelf klaarmaken. Het is de infinitief na ‘commencé à’.
Laisse
‘Laisse’ betekent hier ‘laat’ en vormt een verzoek in de gebiedende wijs. Met ‘moi’ vraagt de spreker toestemming om iets voor de ander goed te maken.
moi
‘Moi’ betekent ‘mij’ en staat hier na ‘laisse’ als benadrukt voornaamwoord. Samen met ‘Laisse’ vormt het de betekenis ‘laat mij’.
rattraper
‘Rattraper’ betekent hier ‘goedmaken’ in ‘me rattraper’. Het verwijst in deze situatie naar iets doen om de teleurstelling van de ander te compenseren.
en
‘En’ betekent hier ‘door’ in de verbinding ‘en choisissant’. Het leidt een vorm in die uitlegt op welke manier de spreker het wil goedmaken.
choisissant
‘Choisissant’ betekent hier ‘kiezen’ in ‘en choisissant’. De vorm noemt de handeling waarmee de spreker een nieuwe datum wil regelen.
une
‘Une’ betekent hier ‘een’ en introduceert één niet nader bepaalde datum. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord ‘date’.
autre
‘Autre’ betekent ‘andere’ en beschrijft hier een datum die niet de oorspronkelijke datum is. Het staat vóór ‘date’ om de vervangende afspraak aan te duiden.
date
‘Date’ betekent ‘datum’ en verwijst hier naar een nieuw moment voor de afspraak. Het wordt beschreven door ‘autre’ en gevolgd door een bijzin die zegt voor wie het moment geschikt is.
qui
‘Qui’ betekent hier ‘die’ en leidt de bijzin over de datum in. Het verwijst naar ‘date’ en is het onderwerp van ‘convient’.
convient
‘Convient’ betekent hier ‘past’ of ‘geschikt is’ in ‘qui te convient’. Het beschrijft of een voorgestelde datum voor iemand geschikt is.
On
‘On’ betekent hier ‘we’ en verwijst naar de twee gesprekspartners samen. In ‘on peut’ wordt het gebruikt om een gezamenlijke mogelijkheid of afspraak te bespreken.
peut
‘Peut’ betekent hier ‘kan’ en drukt uit dat het verzetten mogelijk is. Het volgt op ‘on’ en wordt gevolgd door de infinitief ‘reporter’.
reporter
‘Reporter’ betekent hier ‘verzetten’ of ‘uitstellen’ en verwijst naar het plannen van de afspraak op een later moment. Het staat als infinitief na ‘peut’.
confirme
‘Confirme’ betekent hier ‘bevestig’ en is een verzoek om later duidelijkheid te geven. In de volledige verbinding staat er een voornaamwoord bij dat aangeeft wat en voor wie bevestigd moet worden.
s'il te plaît
‘S’il te plaît’ betekent als geheel ‘alsjeblieft’ en maakt het verzoek beleefder. ‘S’il’ komt van ‘si’ en ‘il’, ‘te’ verwijst naar de aangesprokene en ‘plaît’ betekent letterlijk ‘bevalt’; samen is het een vaste beleefde uitdrukking na een verzoek.
les
‘Les’ is hier het bepaalde meervoudslidwoord vóór ‘choses’. Het verwijst naar de concrete omstandigheden waarover de spreker spreekt.
choses
‘Choses’ betekent ‘dingen’ en verwijst hier naar de omstandigheden of zaken die rustiger zullen worden. Het staat in het meervoud na ‘les’.
seront
‘Seront’ betekent ‘zullen zijn’ en beschrijft hier een toekomstige toestand van ‘les choses’. Het is de toekomstige vorm van ‘être’ die bij het meervoudige onderwerp hoort.
calmes
‘Calmes’ betekent ‘rustig’ en beschrijft in ‘plus calmes’ omstandigheden die rustiger zullen zijn. De vorm staat bij ‘les choses’ en krijgt door ‘plus’ een vergelijkende betekenis.
t'enverrai
‘T’enverrai’ betekent hier ‘ik zal je sturen’. ‘T’’ verwijst naar de ontvanger en ‘enverrai’ is de toekomstige vorm van ‘envoyer’ voor de handeling die de spreker zal uitvoeren.
message
‘Message’ betekent ‘bericht’ en is hier de informatie die de spreker later zal sturen. Het staat als lijdend voorwerp na de toekomstige werkwoordsvorm.
quand
‘Quand’ betekent ‘wanneer’ en leidt hier de tijdsbepalende bijzin in. Het geeft aan op welk moment de spreker een bericht zal sturen.
j'en
‘J’en’ bestaat hier uit ‘je’ en het voornaamwoord ‘en’ in ‘j’en saurai plus’. ‘En’ verwijst naar aanvullende informatie, waardoor de uitdrukking betekent dat de spreker er later meer over zal weten.
saurai
‘Saurai’ betekent ‘zal weten’ en verwijst naar toekomstige kennis over de situatie. Het is de toekomstige vorm van ‘savoir’ bij ‘je’.
sais
‘Sais’ betekent hier ‘weet’ en introduceert de kennis van de spreker over het effect van de wijziging. Het wordt gevolgd door een bijzin met de informatie die bekend is.
changement
‘Changement’ betekent ‘wijziging’ en verwijst hier naar de late verandering van de afspraak. Het wordt nader bepaald door ‘de dernière minute’.
dernière
‘Dernière’ betekent hier ‘laatste’ in ‘de dernière minute’. Samen met ‘minute’ vormt het de vaste tijdsaanduiding voor iets dat op het laatste moment gebeurt.
minute
‘Minute’ betekent ‘minuut’ en maakt samen met ‘dernière’ de uitdrukking ‘de dernière minute’. Die uitdrukking verwijst naar een zeer laat moment vóór een gebeurtenis.
a
‘A’ betekent hier ‘heeft’ en werkt als hulpwerkwoord in ‘a perturbé’. Het helpt de voltooide vorm te maken waarmee het effect van de wijziging wordt beschreven.
perturbé
‘Perturbé’ betekent hier ‘verstoord’ en beschrijft wat de wijziging met de avond van de ander heeft gedaan. Het is de voltooide vorm van ‘perturber’ na ‘a’.
ta
‘Ta’ betekent ‘jouw’ en staat vóór ‘soirée’ om aan te geven van wie de avond is. De vorm hoort bij het zelfstandig naamwoord dat erop volgt.
soirée
‘Soirée’ betekent hier ‘avond’ als een beleefde of geplande avondperiode. Het is datgene wat door de late wijziging is verstoord.
J'espère
‘J’espère’ betekent ‘ik hoop’ en drukt hier bezorgdheid en een goede wens uit. Het staat vóór ‘que’ om de situatie te noemen waarop de hoop betrekking heeft.
tout
‘Tout’ betekent hier ‘alles’ en verwijst naar de algemene toestand van de situatie. In ‘tout va bien’ is het het onderwerp van de uitdrukking.
va
‘Va’ betekent hier ‘gaat’ in de vaste uitdrukking ‘tout va bien’. Samen met ‘bien’ beschrijft het of de situatie goed verloopt.
bien
‘Bien’ betekent hier ‘goed’ en beschrijft hoe de situatie verloopt in ‘tout va bien’. Deze combinatie gebruik je om naar iemands algemene toestand of situatie te vragen of ernaar te informeren.
pour
‘Pour’ verbindt hier de algemene toestand met ‘ta famille’ en betekent in deze context ongeveer ‘voor’ of ‘wat betreft’. Het maakt duidelijk op wie de goede wens betrekking heeft.
famille
‘Famille’ betekent ‘familie’ en verwijst hier naar de familie van de aangesproken persoon. Het staat na ‘ta’ en is het onderwerp van de bezorgdheid in de slotzin.