J’ai
J’ai betekent hier ‘ik heb’ in J’ai besoin de choisir, de vaste vorm voor het uitdrukken van een behoefte. J’ai is een vorm van avoir. Gebruik J’ai bijvoorbeeld om een behoefte of bezit vanuit jezelf uit te drukken.
besoin
Besoin betekent hier ‘behoefte’ in de vaste uitdrukking J’ai besoin de choisir: ‘ik moet kiezen’ of ‘ik heb nodig om te kiezen’. In deze uitdrukking volgt na besoin de een infinitief. Gebruik J’ai besoin de ... om te zeggen wat je nodig hebt.
de
De verbindt in J’ai besoin de choisir de behoefte met de activiteit choisir. De draagt hier dus bij aan de constructie ‘nodig hebben om te kiezen’, niet alleen aan een losse vertaling. Na besoin de volgt een infinitief, zoals in J’ai besoin de choisir.
choisir
Choisir betekent hier ‘kiezen’ en benoemt de handeling die de spreker moet uitvoeren. Het is een infinitief na J’ai besoin de. Gebruik choisir bijvoorbeeld met een keuzeobject, zoals choisir un endroit.
le
Le is het bepaalde lidwoord in le meilleur endroit en verwijst naar de beste plek als een bepaalde plek binnen de besproken opties. In Le café staat dezelfde vorm met een hoofdletter aan het begin van de zin. Le staat hier vóór een mannelijk enkelvoudig zelfstandig naamwoord.
meilleur
Meilleur betekent hier ‘beste’ in le meilleur endroit en vergelijkt de besproken plekken. Het hoort bij endroit en staat vóór het zelfstandig naamwoord. Gebruik le meilleur ... om binnen meerdere mogelijkheden de beste optie aan te wijzen.
endroit
Endroit betekent hier ‘plek’ of ‘plaats’, namelijk de plaats waar de spreker wil studeren. In le meilleur endroit wordt de plek als een concrete keuze voorgesteld. Gebruik endroit bijvoorbeeld in choisir un endroit.
pour
Pour verbindt in pour étudier de plek met het doel ervan: ‘om te studeren’. Voor een werkwoord staat pour hier vóór een infinitief. Gebruik pour + infinitief om een doel of bedoeling aan te geven.
étudier
Étudier betekent hier ‘studeren’ en benoemt het doel van de gekozen plek. In pour étudier volgt het als infinitief na pour. Gebruik pour étudier bijvoorbeeld om te zeggen waarvoor je een plek kiest.
Pense
Pense betekent hier ‘denk aan’ en geeft de ander de opdracht om bepaalde factoren mee te nemen. Het is de gebiedende vorm van penser in Pense au bruit. Gebruik Pense à ... om iemand aan te moedigen ergens rekening mee te houden.
au
Au staat in Pense au bruit voor ‘aan het lawaai’ en is de samengevoegde vorm van à en le. Het hoort bij de constructie penser à iets: ergens aan denken. Gebruik Pense au ... wanneer je iemand vraagt aan een mannelijk enkelvoudig onderwerp te denken.
bruit
Bruit betekent hier ‘lawaai’ en is een van de factoren bij het kiezen van een studieplek. In Pense au bruit is het datgene waarover iemand moet nadenken. Gebruik bruit bijvoorbeeld om een storend geluidsniveau in een plek te bespreken.
à
À verbindt in Pense à la lumière het werkwoord penser met het onderwerp waaraan iemand moet denken. In m’entraîner à parler verbindt à de activiteit oefenen met wat je oefent. Gebruik penser à ... om ‘denken aan’ uit te drukken en s’entraîner à + infinitief voor oefenen in een activiteit.
la
La is het bepaalde lidwoord vóór lumière en bibliothèque. Het verwijst hier naar de besproken concrete zaken: het licht en de bibliotheek. Aan het begin van de zin verschijnt dezelfde vorm als La bibliothèque.
lumière
Lumière betekent hier ‘licht’ en is een factor die de geschiktheid van een studieplek beïnvloedt. In Pense à la lumière staat het na het lidwoord la. Gebruik lumière bijvoorbeeld om de verlichting van een ruimte te beschrijven.
confort
Confort betekent hier ‘comfort’ en verwijst naar hoe aangenaam een plek is om te studeren. Het staat naast bruit, lumière en distractions als onderwerp van de overweging. Gebruik confort bijvoorbeeld bij het vergelijken van verschillende werkplekken.
et
Et betekent ‘en’ en verbindt hier meerdere factoren: lawaai, licht, comfort en afleiding. Het voegt het laatste onderdeel aan een opsomming toe. Gebruik et om woorden of zinsdelen naast elkaar te plaatsen.
aux
Aux staat in aux distractions voor ‘aan de afleidingen’ en is de samengevoegde vorm van à en les. Het sluit aan bij Pense à: iemand moet ook aan de afleidingen denken. Gebruik aux vóór een meervoudig zelfstandig naamwoord na à.
distractions
Distractions betekent hier ‘afleidingen’, dus zaken die het studeren kunnen verstoren. In Pense ... aux distractions is het een van de punten waarmee rekening moet worden gehouden. Gebruik distractions bijvoorbeeld bij het bespreken van wat je concentratie verstoort.
café
Café betekent hier ‘café’ en is de eerste studieplek die de spreker beoordeelt. In Le café est lumineux is het onderwerp van de beschrijving. Gebruik café om een plek te noemen waar mensen iets drinken of werken.
est
Est betekent hier ‘is’ en verbindt Le café met de eigenschap lumineux. Het is een vorm van être. Gebruik est om een persoon, plaats of zaak met een beschrijving te verbinden.
lumineux
Lumineux betekent hier ‘licht’ of ‘helder’ en beschrijft het café. In Le café est lumineux staat het na est als eigenschap van het café. Gebruik lumineux bijvoorbeeld om een ruimte met veel licht te beschrijven.
mais
Mais betekent ‘maar’ en introduceert hier een nadeel dat tegenover de heldere verlichting van het café staat. Het verbindt twee tegengestelde observaties. Gebruik mais om een positieve of eerdere bewering te nuanceren met een tegenstelling.
des
Des is hier het onbepaalde meervoudige lidwoord in des gens: ‘mensen’ of ‘enkele mensen’. Het introduceert mensen zonder ze nader te bepalen. Gebruik des vóór een meervoudig zelfstandig naamwoord wanneer het niet om bepaalde, eerder genoemde exemplaren gaat.
gens
Gens betekent hier ‘mensen’ en verwijst naar de personen die langs de tafel lopen. In des gens staat het na het onbepaalde meervoudige lidwoord des. Gebruik gens om mensen in het algemeen of personen in een situatie aan te duiden.
passent
Passent betekent hier dat de mensen langs de tafel lopen of voorbijkomen. De vorm hoort bij des gens en beschrijft wat die mensen doen in de scène. Gebruik passer bijvoorbeeld in een zin over mensen die langs een plaats komen.
tout
In tout le temps versterkt tout de uitdrukking voor voortdurende herhaling. Tout le temps betekent samen ‘de hele tijd’ of ‘steeds’; de betekenis komt dus uit de hele uitdrukking. Gebruik tout le temps om aan te geven dat iets voortdurend gebeurt.
temps
In tout le temps verwijst temps naar ‘tijd’. De hele uitdrukking tout le temps betekent ‘de hele tijd’ en beschrijft hier hoe vaak mensen voorbijkomen. Gebruik temps in deze uitdrukking om een voortdurende duur of herhaling aan te geven.
devant
Devant betekent hier ‘voor’ en beschrijft de plaats waar de mensen langsgaan ten opzichte van de tafel. In devant ma table vormt het samen de ruimtelijke uitdrukking ‘voor mijn tafel’. Gebruik devant om aan te geven dat iets zich vóór een persoon of voorwerp bevindt.
ma
Ma betekent hier ‘mijn’ en geeft aan dat de tafel bij de spreker hoort of door de spreker wordt gebruikt. In ma table staat het vóór het zelfstandig naamwoord. Gebruik ma vóór een vrouwelijk enkelvoudig zelfstandig naamwoord om bezit of verbondenheid met jezelf aan te geven.
table
Table betekent hier ‘tafel’, de plek waar de spreker zit of studeert. In devant ma table geeft het aan waar de mensen voorbijkomen. Gebruik table bijvoorbeeld om een meubel of een werkplek in een ruimte te benoemen.
Ce
Ce betekent hier ‘die’ en verwijst in Ce mouvement naar de beweging van de mensen die zojuist is genoemd. Het staat vóór mouvement en wijst het besproken verschijnsel aan. Gebruik ce om naar een mannelijk enkelvoudig onderwerp te verwijzen.
mouvement
Mouvement betekent hier ‘beweging’ en verwijst naar het voortdurend langslopen van mensen. In Ce mouvement wordt die beweging aangewezen als mogelijke afleiding. Gebruik mouvement om activiteit of verplaatsing in een omgeving te beschrijven.
pourrait
Pourrait betekent hier ‘zou kunnen’ en drukt een mogelijke uitwerking uit: de beweging zou concentreren moeilijk kunnen maken. Het is een vorm van pouvoir in de voorwaardelijke wijs. Gebruik pourrait om een mogelijkheid voorzichtig of niet als zekerheid te presenteren.
rendre
Rendre betekent hier ‘maken’ of ‘doen worden’ in rendre la concentration difficile. De constructie geeft aan dat iets een toestand of beoordeling veroorzaakt. Gebruik rendre + zelfstandig naamwoord + bijvoeglijk naamwoord om te zeggen dat iets iets anders moeilijk, makkelijk of anders maakt.
concentration
Concentration betekent hier ‘concentratie’ en is datgene wat door de beweging moeilijker wordt. In rendre la concentration difficile vormt het samen met difficile het resultaat van de beweging. Gebruik concentration bijvoorbeeld wanneer je bespreekt hoe goed je je aandacht bij een taak kunt houden.
difficile
Difficile betekent hier ‘moeilijk’ en beschrijft de concentratie als gevolg van de beweging. In rendre la concentration difficile staat het na het zelfstandig naamwoord dat het beschrijft. Gebruik difficile om aan te geven dat een activiteit of toestand niet gemakkelijk is.
bibliothèque
Bibliothèque betekent hier ‘bibliotheek’ en is de tweede plek die wordt beoordeeld. In La bibliothèque est plus calme wordt de bibliotheek beschreven als rustiger dan het café. Gebruik bibliothèque om een plaats met boeken en studieruimte aan te duiden.
plus
Plus betekent hier ‘meer’ en vormt samen met plus calme de vergelijking ‘rustiger’. Het staat vóór het bijvoeglijk naamwoord calme. Gebruik plus + bijvoeglijk naamwoord om een hogere mate van een eigenschap aan te geven.
calme
Calme betekent hier ‘rustig’ en beschrijft de bibliotheek in vergelijking met het café. In plus calme wordt het onderdeel van de vergelijking ‘rustiger’. Gebruik calme om een plek of situatie met weinig onrust te beschrijven.
je
Je betekent hier ‘ik’ en is het onderwerp van je ne peux pas. Het verwijst naar de persoon die spreekt. Gebruik je als onderwerp wanneer je iets over jezelf zegt.
ne
Ne is hier het eerste deel van de ontkenning ne ... pas in je ne peux pas. Samen met pas maakt het de mogelijkheid ontkennend: de spreker kan daar niet oefenen. Gebruik ne vóór het vervoegde werkwoord in deze ontkenningsconstructie.
peux
Peux betekent hier ‘kan’ in je ne peux pas y m’entraîner à parler. Het drukt uit dat de spreker de activiteit op die plek niet kan uitvoeren. Peux is een vorm van pouvoir; gebruik je peux ... om een mogelijkheid vanuit jezelf uit te drukken.
pas
Pas is hier het tweede deel van ne ... pas in je ne peux pas. Samen met ne maakt het de zin ontkennend: ‘ik kan niet’. Gebruik pas na het vervoegde werkwoord wanneer je deze volledige ontkenningsconstructie gebruikt.
y
Y betekent hier ‘daar’ en verwijst naar de bibliotheek als de plaats waar de spreker niet kan oefenen. Het voorkomt dat die plaats opnieuw wordt genoemd. Gebruik y om in een zin terug te verwijzen naar een eerder genoemde plaats.
m’entraîner
M’entraîner betekent hier ‘me oefenen’ in m’entraîner à parler: oefenen in spreken. M’ verwijst naar de spreker en hoort bij de vorm van s’entraîner. Gebruik s’entraîner à + infinitief om te zeggen welke vaardigheid of activiteit je oefent.
parler
Parler betekent hier ‘spreken’ en benoemt de vaardigheid die de spreker wil oefenen. In m’entraîner à parler staat het als infinitief na à. Gebruik s’entraîner à parler bijvoorbeeld wanneer je spreekvaardigheid oefent.
Utilise
Utilise betekent hier ‘gebruik’ en geeft de ander een directe aanbeveling om de bibliotheek voor lezen te gebruiken. Het is de gebiedende vorm van utiliser. Gebruik Utilise ... om iemand aan te spreken met een praktisch advies of opdracht.
lire
Lire betekent hier ‘lezen’ en benoemt het doel waarvoor de bibliotheek wordt gebruikt. In pour lire staat het als infinitief na pour. Gebruik pour lire om uit te leggen dat iets bedoeld is om te lezen.
puis
Puis betekent hier ‘daarna’ of ‘vervolgens’ en ordent de twee activiteiten: eerst lezen en daarna spreken oefenen. Het verbindt opeenvolgende handelingen. Gebruik puis om de volgende stap in een plan of uitleg aan te geven.
entraîne-toi
Entraîne-toi betekent hier ‘oefen’ en is een directe aansporing om zelf te oefenen. In deze vorm staat het wederkerende voornaamwoord toi achter de gebiedende vorm. Gebruik entraîne-toi bijvoorbeeld wanneer je iemand aanmoedigt om een vaardigheid zelfstandig te oefenen.
maison
Maison betekent hier ‘huis’ in de vaste uitdrukking à la maison, die ‘thuis’ betekent. De uitdrukking geeft de plaats aan waar de spreker het spreken oefent. Gebruik à la maison om naar je eigen huis als locatie te verwijzen.
Cela
Cela betekent hier ‘dat’ en verwijst naar het voorgestelde plan om de bibliotheek en thuis voor verschillende activiteiten te gebruiken. Het staat als onderwerp van Cela me permet de choisir. Gebruik cela om naar een eerder genoemde handeling, situatie of beslissing te verwijzen.
me
Me betekent hier ‘mij’ of ‘me’ in Cela me permet de choisir: dat maakt het voor mij mogelijk om te kiezen. Het verwijst naar de persoon die voordeel heeft van de mogelijkheid. Gebruik me wanneer een handeling of mogelijkheid op jezelf betrekking heeft.
permet
Permet betekent hier ‘maakt mogelijk’ in Cela me permet de choisir. De constructie permet à quelqu’un de + infinitief drukt uit dat iemand iets kan doen dankzij een situatie of handeling. Gebruik Cela me permet de ... om te zeggen wat een plan of beslissing voor jou mogelijk maakt.
un
Un is hier het onbepaalde lidwoord in un endroit adapté: ‘een geschikte plek’. Aan het begin van de laatste zin verschijnt dezelfde vorm als Un choix clair. Gebruik un vóór een mannelijk enkelvoudig zelfstandig naamwoord wanneer je één niet nader bepaalde zaak noemt.
adapté
Adapté betekent hier ‘geschikt’ en beschrijft een plek die past bij de taak. In un endroit adapté staat het als eigenschap bij endroit. Gebruik adapté à ... om te zeggen dat iets geschikt is voor een bepaalde taak of situatie.
chaque
Chaque betekent hier ‘elke’ en verdeelt de keuze over afzonderlijke taken. In à chaque tâche staat het vóór een enkelvoudig zelfstandig naamwoord. Gebruik chaque + enkelvoud om zaken één voor één binnen een groep te benoemen.
tâche
Tâche betekent hier ‘taak’ en verwijst naar de verschillende leeractiviteiten, zoals lezen en spreken oefenen. In chaque tâche gaat het om iedere taak afzonderlijk. Gebruik tâche om een concrete activiteit of opdracht te benoemen.
choix
Choix betekent hier ‘keuze’ en verwijst naar de duidelijke beslissing over de beste studieplek. In Un choix clair wordt die keuze als onderwerp van de laatste zin genoemd. Gebruik choix bijvoorbeeld voor een beslissing tussen meerdere mogelijkheden.
clair
Clair betekent hier ‘duidelijk’ en beschrijft een keuze waar geen verwarring meer over bestaat. In Un choix clair staat het na het zelfstandig naamwoord choix. Gebruik clair om een beslissing, uitleg of plan te beschrijven die gemakkelijk te begrijpen is.
devrait
Devrait betekent hier ‘zou moeten’ en drukt de verwachting uit dat een duidelijke keuze het studeren minder stressvol maakt. Het is een vorm van devoir in de voorwaardelijke wijs. Gebruik devrait om een verwachting, aanbeveling of waarschijnlijke uitwerking voorzichtig uit te drukken.
les
Les is het bepaalde meervoudige lidwoord in les études. Het verwijst naar studeren of de studieactiviteiten als een geheel. Gebruik les vóór een meervoudig zelfstandig naamwoord wanneer het om bepaalde of algemeen opgevatte zaken gaat.
études
Études betekent hier ‘studie’ of ‘studeren’ in les études. In devrait rendre les études moins stressantes verwijst het naar het studieproces dat minder stressvol zou moeten aanvoelen. Gebruik les études bijvoorbeeld om iemands studie of studiewerk in algemene zin te bespreken.
moins
Moins betekent hier ‘minder’ en vormt samen met moins stressantes de vergelijking ‘minder stressvol’. Het staat vóór het bijvoeglijk naamwoord stressantes. Gebruik moins + bijvoeglijk naamwoord om een lagere mate van een eigenschap aan te geven.
stressantes
Stressantes betekent hier ‘stressvol’ en beschrijft les études als minder belastend door een duidelijke keuze. De vorm staat in het meervoud bij études. Gebruik stressant(e) om een activiteit, situatie of periode te beschrijven die spanning veroorzaakt.